J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 502 uitvoeringbesluiten 103 gearchiveerde versies
Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State

Titel
10 APRIL 1992. - WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992.
(NOTA : het bijwerken van deze tekst is tijdelijk uitgesteld : gelieve de "Wijzigingen", om de laatste wijzigingsreferenties na te kijken, of de databank "Fisconet" te raadplegen )
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-03-1994 en tekstbijwerking tot 22-01-2002)

Bron : FINANCIEN
Publicatie : 30-07-1992
Inwerkingtreding : 01-01-1992
Opheffing : onbepaald (ART. 402 - ART. 403)    ***    01-01-2009 (ART. 402 - ART. 403)
Dossiernummer : 1992-04-10/32

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - De verschillende inkomstenbelastingen - Definities.
Art. 1-2
TITEL II. - Personenbelasting.
HOOFDSTUK I. - Aan de belasting onderworpen personen.
Art. 3-5
HOOFDSTUK II. - Grondslag van de belasting.
Afdeling I. - Algemene bepaling van het belastbare inkomen.
Art. 6
Afdeling II. - Inkomen van onroerende goederen.
Onderafdeling I. - Belastbare inkomsten.
Art. 7-11
Onderafdeling II. - Vrijgestelde inkomsten.
Art. 12
Onderafdeling III. - Vaststelling van het netto-inkomen.
Art. 13-15
Onderafdeling IV. - Woningaftrek.
Art. 16
Afdeling III. - Inkomen van roerende goederen en kapitalen.
Onderafdeling I. - Bepaling.
Art. 17-20
Onderafdeling II. - Niet als inkomsten van roerende goederen en kapitalen belastbare inkomsten.
Art. 21
Onderafdeling III. - Vaststelling van het netto-inkomen.
Art. 22
Afdeling IV. - Beroepsinkomen.
Onderafdeling I. - Belastbare inkomsten.
A. ALGEMEEN.
Art. 23
B. WINST.
Art. 24-26
C. BATEN
Art. 27
D. WINST EN BATEN VAN EEN VORIGE BEROEPSWERKZAAMHEID.
Art. 28
E. BURGERLIJKE VENNOOTSCHAPPEN OF VERENIGINGEN ZONDER RECHTSPERSOONLIJKHEID.
Art. 29
F. BEZOLDIGINGEN.
Art. 30-33
G. PENSIOENEN, RENTEN EN ALS ZODANIG GELDENDE TOELAGEN.
Art. 34-35
H. RAMING VAN ANDERS DAN IN GELD VERKREGEN INKOMSTEN.
Art. 36
I. INKOMSTEN VAN ONROERENDE EN ROERENDE GOEDEREN MET BEROEPSKARAKTER.
Art. 37
Onderafdeling II. - Vrijgestelde inkomsten.
A. SOCIALE EN CULTURELE VRIJSTELLINGEN.
Art. 38
B. VRIJGESTELDE PENSIOENEN, RENTEN, KAPITALEN, SPAARTEGOEDEN EN AFKOOPWAARDEN.
Art. 39-40
C. MEERWAARDEN.
Art. 41-47
D. VRIJGESTELDE WAARDEVERMINDERINGEN EN VOORZIENINGEN.
Art. 48
Onderafdeling III. - Vaststelling van het netto-inkomen.
A. BEROEPSKOSTEN.
Art. 49-64, 64bis, 65-66, 66bis
B. ECONOMISCHE VRIJSTELLINGEN.
1°. Wetenschappelijk onderzoek (en uitvoer). <W 1997-10-27/36, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 67
2°. Investeringsaftrek.
Art. 68-77
C. BEROEPSVERLIEZEN.
Art. 78-80
D. AFTREKKEN VAN HET TOTALE BEROEPSINKOMEN.
Art. 81-85
Onderafdeling IV. - Toekenning en toerekening van een deel van de beroepsinkomsten aan de echtgenoot.
Art. 86-89
Afdeling V. - Diverse inkomsten.
Onderafdeling I. - Bepaling.
Art. 90-93, 93bis, 94-96
Onderafdeling II. - Vaststelling van het netto-inkomen.
Art. 97-102
Onderafdeling III. - Aftrekbare verliezen.
Art. 103
Afdeling VI. - Aftrekbare bestendigen.
A. ALGEMEEN.
Art. 104-106
B. GIFTEN.
Art. 107-111
C. BEZOLDIGINGEN VAN EEN HUISBEDIENDE.
Art. 112
D. KINDEROPPAS.
Art. 113-114
E. INTEREST VAN HYPOTHECAIRE LENINGEN.
Art. 115-116
F. PENSIOENSPAREN.
Art. 117-125
Afdeling VII. <W 2001-08-10/63, art. 18, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> - Gemeenschappelijke aanslag voor echtgenoten en wettelijke samenwonenden.
Art. 126-129
HOOFDSTUK III. - Berekening van de belasting.
Afdeling I. - Gewoon stelsel van aanslag.
Onderafdeling I. - Belastingtarief.
Art. 130
Onderafdeling II. - Belastingvrije som.
Art. 131-132, 132bis, 133-145
Onderafdeling IIbis. - Vermindering voor het lange termijnsparen. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
A. Algemeen.
Art. 145.1-145.2
B. Persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood.
Art. 145.3
C. Premies van individuele levensverzekeringen.
Art. 145.4
D. Aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen.
Art. 145.5-145.6
E. Verwerving van werkgeversaandelen.
Art. 145.7
F. Betalingen voor het pensioensparen.
Art. 145.8-145.16
G. (Bijdrage voor het vrij pensioen van meewerkende echtgenoot van een zelfstandige). <Ingevoegd bij W 1999-01-25/32, art. 206; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
Art. 145.16bis
Onderafdeling IIter. - Verhoogde vermindering voor het bouwsparen. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 87; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 145.17-145.20
Onderafdeling IIquater. - (Vermindering voor uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (en voor prestaties betaald met dienstencheques.)) <W 1994-12-21/31, art. 93; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <W 2001-07-20/37, art. 8, 093; Inwerkingtreding : 11-08-2001>
Art. 145.21-145.23
Onderafdeling IIquinquies. <Ingevoegd bij W 2001-08-10/63, art. 33; Inwerkingtreding : 01-01-2004> - Vermindering voor energiebesparende uitgaven.
Art. 145.24
Onderafdeling III. - Vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten.
Art. 146-154
Onderafdeling IV. - Vermindering voor inkomsten uit het buitenland.
Art. 155-156
Onderafdeling V. - Vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan.
Art. 157-168
Afdeling II. - Bijzondere stelsels van aanslag.
Onderafdeling I. - Omzetting van sommige kapitalen, vergoedingen en afkoopwaarden in lijfrente.
Art. 169-170
Onderafdeling II. - Afzonderlijke aanslagen.
Art. 171-174
Afdeling III. - Bonificatie voor voorafbetaling van de belasting.
Art. 175-177
Afdeling IV. - Jaarlijkse indexatie.
Art. 178
TITEL III - Vennootschapsbelasting.
HOOFDSTUK I. - Aan de belasting onderworpen vennootschappen.
Art. 179-182
HOOFDSTUK II. - Grondslag van de belasting.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 183-184
Afdeling II. - Belastinggrondslag.
Art. 185-189
Afdeling III. - Vrijgestelde inkomsten.
Onderafdeling I. - Meerwaarden.
Art. 190-193
Onderafdeling II. - Ondernemingen die in België afzettingen van vloeibare of gasachtige koolwaterstoffen ontginnen.
Art. 194
Onderafdeling III. - (Technische voorzieningen van verzekeringsondernemingen). <Ingevoegd bij W 1999-05-04/54, art. 13, § 1; Inwerkingtreding : 22-06-1999>
Art. 194bis
Afdeling IV. - Vaststelling van het netto-inkomen.
Onderafdeling I. - Beroepskosten.
Art. 195-198
Onderafdeling II. - Aftrek van vrijgestelde inkomsten.
Art. 199-201
Onderafdeling III. - Aftrekken van de belastbare winst.
Art. 202-205
Onderafdeling IV. - Vorige Verliezen.
Art. 206
Onderafdeling V. - Gemene bepalingen betreffende de in artikelen 199 tot 206 omschreven aftrekken.
Art. 207
Afdeling V. - Ontbinding en vereffening.
Art. 208-214
HOOFDSTUK III. - Berekening van de belasting.
Afdeling I. - Gewoon stelsel van aanslag.
Onderafdeling I. - Belastingtarief.
Art. 215-216
Onderafdeling II. - Vermindering voor inkomsten uit het buitenland.
Art. 217
Onderafdeling III. - Vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan.
Art. 218
Afdeling II. - (Afzonderlijke aanslagen). <W 1999-05-04/54, art. 20; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Art. 219, 219bis
TITEL IV. - Rechtspersonenbelasting.
HOOFDSTUK I. - Aan de belasting onderworpen rechtspersonen.
Art. 220
HOOFDSTUK II. - Grondslag van de belasting.
Art. 221-224
HOOFDSTUK III. - Berekening van de belasting.
Art. 225-226
TITEL V. - Belasting van niet-inwoners.
HOOFDSTUK I. - Aan de belasting onderworpen personen.
Art. 227
HOOFDSTUK II. - Grondslag van de belasting.
Afdeling I. - Belastbare inkomsten.
Art. 228-229
Afdeling II. - Vrijgestelde inkomsten.
Art. 230-231
HOOFDSTUK III. - Samenvoeging van sommige inkomsten.
Afdeling I. - Maatstaf van belastingheffing.
Art. 232-234
Afdeling II. - Vaststelling van het nettobedrag van de samen te voegen inkomsten.
Art. 235, 235bis, 236-240
Afdeling III. - Aftrekbare bestedingen.
Art. 241-242
HOOFDSTUK IV. - Berekening van de belasting.
Art. 243-244, 244bis, 245-248
TITEL VI. - Aan de vier belastingen gemene bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Storting van de belasting door voorheffing.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 249-250
Afdeling II. - Onroerende voorheffing.
Art. 251-260
Afdeling III. - Roerende voorheffing.
Onderafdeling I. - Schuldenaars van de voorheffing.
Art. 261-263
Onderafdeling II. - Vrijstelling en verzaking van de voorheffing.
Art. 264-266
Onderafdeling III. - (Opeisbaarheid) van de voorheffing. <W 1999-03-15/31, art. 2, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
Art. 267
Onderafdeling IV. - Berekening van de voorheffing.
Art. 268-269
Afdeling IV. - Bedrijfsvoorheffing.
Art. 270-275
HOOFDSTUK II. - Verrekening van de voorheffingen.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 276
Afdeling II. - Onroerende voorheffing.
Art. 277-278
Afdeling III. - Roerende voorheffing.
Art. 279-284
Afdeling IV. - Forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting.
Art. 285-289
Afdeling IVbis. - (Belastingkrediet.) <Ingevoegd bij W 1995-12-20/31, art. 15; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 289bis, 289ter
Afdeling V. - (Mate van verrekening van de onroerende voorheffing, de roerende voorheffing, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en belastingkrediet). <W 1995-12-20/31, art. 16; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art. 290-292, 292bis, 293-295
Afdeling VI. - Bedrijfsvoorheffing.
Art. 296
TITEL VII. - Vestiging en invordering van de belastingen.
(NOTA : In titel VII van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, worden wat de onroerende voorheffing in het Vlaamse Gewest betreft, de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "directeur-generaal der belastingen", "directeur der belastingen", "directeur van de belastingen", "directeur
HOOFDSTUK I. - Algemene Bepalingen.
Art. 297-304, 304bis
HOOFDSTUK II. - Aangifte.
Afdeling I. - Aangifte inzake personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting van niet-inwoners.
Art. 305-311
Afdeling II. - Aangifte inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing.
Art. 312
Afdeling III. - Vrijstelling van de verplichting om bepaalde inkomsten uit kapitalen en bepaalde diverse inkomsten aan te geven.
Art. 313
Afdeling IV. - Identificatie van de belastingplichtige.
Art. 314
HOOFDSTUK III. - Onderzoek en controle.
Afdeling I. - Plichten van de belastingplichtige.
Art. 315, 315bis, 316-319, 319bis, 320-321
Afdeling II. - Plichten van derden.
Art. 322-323, 323bis, 324-326
Afdeling III. - Plichten van openbare diensten, instellingen en inrichtingen.
Art. 327-332
Afdeling IV. - Gemene bepalingen inzake recht van onderzoek ten aanzien van de belastingplichtige en van derden.
Art. 333-334, 334bis
Afdeling V. - Aan alle belastingen gemene bepalingen.
Art. 335-336
Afdeling VI. - Beroepsgeheim.
Art. 337
Afdeling VII. - Wederzijdse bijstand.
Art. 338
HOOFDSTUK IV. - Bewijsmiddelen van de administratie.
Art. 339-345
HOOFDSTUK V. - Aanslagprocedure.
Afdeling I. - Wijziging van de aangifte.
Art. 346-350
Afdeling II. - Aanslag van ambtswege.
Art. 351-352, 352bis
HOOFDSTUK VI. - Aanslag.
Afdeling I. - Aanslagtermijnen.
Art. 353-358
Afdeling II. - Aanslagjaar en belastbaar tijdperk.
Art. 359-362, 362bis, 363-364, 364bis, 364ter
Afdeling III. - Kohieren. (opgeheven) <W 1999-03-15/31, art. 22, 053; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Art. 365
HOOFDSTUK VII. - (Rechtsmiddelen.) <W 1999-03-15/31, art. 23, 053; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Afdeling I. - (Administratief beroep.) <W 1999-03-15/31, art. 23, 053; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
(...) <W 1999-03-15/31, art. 23, 053; ED : 01-01-1999>
Art. 366-370
(...) <W 1999-03-15/31, art. 23, 053; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Art. 371-376
Afdeling (II). - (Bijzondere bepalingen inzake rechtsmiddelen.) <W 1999-03-15/31, art. , 053; Inwerkingtreding : 01-03-1999, maar zie W 1999-03-15/31, art. 97>
Art. 377-392
HOOFDSTUK VIII. - Invordering van de belasting.
Afdeling I. - Belastingschuldigen.
Art. 393, 393bis, 394, 394bis, 395-399
Afdeling II. - Werkzaamheden waarvoor een beroep moet worden gedaan op een geregistreerde aannemer.
Art. 400-408
Afdeling III. - Betwiste belastingen.
Art. 409-411
Afdeling IV. - (Betaaltermijn van voorheffingen en belastingen.) <W 1999-03-15/31, art. 39, 054; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
Art. 412, 412bis, 413
Afdeling V. - Interesten.
Onderafdeling I. - Nalatigheidsinteresten.
Art. 414-417
Onderafdeling II. - Moratoriuminteresten.
Art. 418-419
HOOFDSTUK IX. - Rechten en voorrechten van de Schatkist inzake invordering.
Afdeling I. - Door sommige belastingschuldigen te stellen waarborgen.
Art. 420-421
Afdeling II. - Voorrecht van de Schatkist.
Art. 422-424
Afdeling III. - Wettelijke hypotheek.
Art. 425-432
Afdeling IV. - Aansprakelijkheid en plichten van sommige ministeriële officieren, openbare ambtenaren en andere personen.
Art. 433-442, 442bis
Afdeling V. - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen.
Art. 443
HOOFDSTUK X. - Strafbepalingen.
Afdeling I. - Administratieve sancties.
Onderafdeling I. - Belastingverhogingen.
Art. 444
Onderafdeling II. - Administratieve boete.
Art. 445
Onderafdeling III. - Verval van het recht om belastingplichtigen te vertegenwoordigen.
Art. 446-448
Afdeling II. - Strafrechtelijke sancties.
Art. 449-463
TITEL VIIbis. - Aanvullende crisisbijdrage. <Ingevoegd bij W 1993-07-22/30, art. 22; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Art. 463bis
TITEL VIII. - Toekenningen aan de provincies, de agglomeraties en de gemeenten.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 464
HOOFDSTUK II. - Aanvullende belastingen.
Art. 465-466, 466bis, 467-470
HOOFDSTUK III. - (Bijzondere invorderingsregels). <Ingevoegd bij W 1998-12-22/36, art. 52; Inwerkingtreding : 01-02-1999>
Art. 470bis
TITEL IX. - Het kadastraal inkomen van onroerende goederen.
HOOFDSTUK I. - Bepaling van het kadastraal inkomen.
Art. 471
HOOFDSTUK II. - Vaststelling van het kadastraal inkomen.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 472
Afdeling II. - Aangifte van de belastingplichtigen en recht van onderzoek van de administratie.
Art. 473-476
Afdeling III. - Gebouwde onroerende goederen.
Art. 477-478
Afdeling IV. - Ongebouwde onroerende goederen.
Art. 479-482
Afdeling V. - Materieel en outillage.
Art. 483-485
Afdeling VI. - Referentietijdstip.
Art. 486
HOOFDSTUK III. - Tijdstip van vaststelling en invoegetreding van de kadastrale inkomens.
Afdeling I. - Algemene perekwatie van de kadastrale inkomens.
Art. 487
Afdeling II. - Herzieningen van de kadastrale inkomens.
Art. 488-493
Afdeling III. - Schatting en herschatting van de kadastrale inkomens.
Art. 494
HOOFDSTUK IV. - Betekening van de kadastrale inkomens.
Art. 495-496
HOOFDSTUK V. - Bezwaar tegen het kadastraal inkomen.
Afdeling I. - Recht van bezwaar.
Art. 497-498
Afdeling II. - Voorwaarden van geldigheid van het bezwaar.
Art. 499-500
Afdeling III. - Procedure bij het onderzoek van de bezwaren.
Art. 501-502
Afdeling IV. - Uitwerking van de bezwaren.
Art. 503
HOOFDSTUK VI. - Bewaring en bijhouding van de kadastrale bescheiden.
Art. 504
TITEL X. - Overgangsbepalingen.
Art. 505-508, 508bis, 509-515, 515bis, 515ter, 516-519, 519bis, 520-525
Bijlagen.
Art. N1-N3

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - De verschillende inkomstenbelastingen - Definities.

  Artikel 1. § 1. Als inkomstenbelastingen worden geheven :
  1° een belasting op het totale inkomen van rijksinwoners, personenbelasting geheten;
  2° een belasting op het totale inkomen van binnenlandse vennootschappen, vennootschapsbelasting geheten;
  3° een belasting op inkomsten van andere Belgische rechtspersonen dan vennootschappen, rechtspersonenbelasting geheten;
  4° een belasting op inkomsten van niet-inwoners, belasting van niet-inwoners geheten.
  § 2. De belastingen worden geheven door middel van voorheffingen, binnen de grenzen en onder de voorwaarden als bepaald in titel VI, hoofdstuk I.

  Art. 2. <W 2001-08-10/63, art. 2, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten hebben de volgende termen de betekenis die is bepaald in dit artikel.
  1° Rijksinwoners.
  Onder rijksinwoners worden verstaan :
  a) de natuurlijke personen die in België hun woonplaats of de zetel van hun fortuin hebben gevestigd;
  b) de Belgische diplomatieke ambtenaren en consulaire beroepsambtenaren die in het buitenland zijn geaccrediteerd, alsmede hun inwonende gezinsleden;
  c) de andere leden van Belgische diplomatieke zendingen en consulaire posten in het buitenland, alsmede hun inwonende gezinsleden, daaronder niet begrepen consulaire ereambtenaren;
  d) de andere ambtenaren, vertegenwoordigers en afgevaardigden van de Belgische Staat, van de Gemeenschappen, Gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten en gemeenten, of van een Belgisch publiekrechtelijk lichaam, die de Belgische nationaliteit bezitten en hun werkzaamheden buitenslands uitoefenen in een land waar zij niet duurzaam verblijf houden.
  De vestiging van de woonplaats of van de zetel van het fortuin in België wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Evenwel worden, behoudens tegenbewijs, geacht hun woonplaats of de zetel van hun fortuin in België te hebben gevestigd de natuurlijke personen die in het Rijksregister van de natuurlijke personen zijn ingeschreven.
  Voor gehuwden die zich niet in één van de in artikel 126, § 2, eerste lid, vermelde gevallen bevinden, wordt de belastingwoonplaats bepaald door de plaats waar het gezin is gevestigd.
  2° Gehuwden en echtgenoten - wettelijk samenwonenden.
  De wettelijk samenwonenden worden gelijkgesteld met gehuwden, en een wettelijk samenwonende wordt gelijkgesteld met een echtgenoot.
  3° Gemeenschappelijke aanslag.
  Onder gemeenschappelijke aanslag wordt verstaan de vestiging van één aanslag ten name van de beide echtgenoten of de beide wettelijk samenwonenden.
  4° Kinderen.
  Onder kinderen wordt verstaan de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot, alsmede de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft.
  5° Vennootschappen.
  Er wordt verstaan onder :
  a) vennootschap : enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die, regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard.
  Lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, worden niet als vennootschappen aangemerkt;
  b) binnenlandse vennootschap : enigerlei vennootschap die in België haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer heeft en niet van de vennootschapsbelasting is uitgesloten;
  c) buitenlandse vennootschap : enigerlei vennootschap die in België geen maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer heeft;
  d) financieringsvennootschap : enigerlei vennootschap die zich uitsluitend of hoofdzakelijk bezighoudt met dienstverrichtingen van financiële aard ten voordele van vennootschappen die met de dienstverrichtende vennootschap noch rechtstreeks noch onrechtstreeks een groep vormen;
  e) thesaurievennootschap : enigerlei vennootschap waarvan de werkzaamheid uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het verrichten van geldbeleggingen;
  f) beleggingsvennootschap : enigerlei vennootschap die het gemeenschappelijk beleggen van kapitaal tot doel heeft.
  6° Gestort kapitaal.
  Onder gestort kapitaal wordt verstaan het werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal zoals het geldt ter zake van de vennootschapsbelasting.
  7° Gerevaloriseerde waarde.
  Onder gerevaloriseerde waarde wordt verstaan de waarde van de goederen die worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en van het gestorte kapitaal, na herwaardering van de aanschaffings- of beleggingswaarde van die goederen of van het kapitaal met toepassing van de hierna vermelde coëfficiënten volgens het jaar waarin, naar het geval, in die goederen is belegd of het kapitaal is gestort, verminderd of terugbetaald :

  Jaren                                  Toepasselijke coefficienten
  1918 en vorige                                        16,33
  1919                                                  11,49
  1920                                                   6,15
  1921                                                   6,30
  1922                                                   6,43
  1923                                                   4,37
  1924                                                   3,89
  1925                                                   4,02
  1926                                                   2,72
  1927 tot 1934 inbegrepen                               2,35
  1935                                                   1,86
  1936 tot 1943 inbegrepen                               1,70
  1944 tot 1948 inbegrepen                               1,14
  1949                                                   1,10
  1950 en volgende                                       1,0


  8° Vastrentende effecten.
  Onder vastrentende effecten worden verstaan de obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten, met inbegrip van effecten waarvan de inkomsten worden gekapitaliseerd of van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van inkomsten en zijn uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest.
  Als vastrentende effecten worden eveneens aangemerkt, de contracten met betrekking tot kapitalisatieverrichtingen waarbij als tegenprestatie voor éénmalige of periodieke stortingen, verbintenissen worden aangegaan los van onzekere gebeurtenissen uit het menselijk leven, en waarvan de duur en het bedrag vervat zijn in de bedingen van het contract.
  9° De uitdrukkingen "immateriële, materiële of financiële vaste activa", "oprichtingskosten" en "voorraden en bestellingen in uitvoering" hebben de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.

  TITEL II. - Personenbelasting.

  HOOFDSTUK I. - Aan de belasting onderworpen personen.

  Art. 3. <W 2001-08-10/63, art. 3, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> De rijksinwoners zijn onderworpen aan de personenbelasting.

  Art. 4. Aan de personenbelasting zijn niet onderworpen :
  1° de buitenlandse diplomatieke ambtenaren en de consulaire beroepsambtenaren die in België zijn geaccrediteerd (alsmede hun inwonende gezinsleden); <W 1994-07-06/33, art. 3, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  2° op voorwaarde van wederkerigheid, de andere leden van buitenlandse diplomatieke zendingen en consulaire posten in België, alsmede hun inwonende gezinsleden, mits de betrokkenen de Belgische nationaliteit niet bezitten (of niet duurzaam verblijf houden in België); <W 1994-07-06/33, art. 3, 3°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  3° op voorwaarde van wederkerigheid, de ambtenaren, vertegenwoordigers en afgevaardigden van vreemde Staten of van staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen daarvan of van een buitenlands publiekrechtelijk lichaam mits de betrokkenen de Belgische nationaliteit niet bezitten (of niet duurzaam verblijf houden in België) en hun diensten niet verstrekken in het kader van enig handels- of nijverheidsbedrijf. <W 1994-07-06/33, art. 3, 4°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Art. 5. Rijksinwoners zijn aan de personenbelasting onderworpen op grond van al hun in dit Wetboek als belastbaar vermelde inkomsten, zelfs indien sommige daarvan in het buitenland zijn behaald of verkregen.

  HOOFDSTUK II. - Grondslag van de belasting.

  Afdeling I. - Algemene bepaling van het belastbare inkomen.

  Art. 6. Het belastbare inkomen wordt gevormd door het totale netto-inkomen, verminderd met de aftrekbare bestedingen.
  Het totale netto-inkomen is de som van de netto-inkomens van de volgende categorieën :
  1° inkomen van onroerende goederen;
  2° inkomen van roerende goederen en kapitalen;
  3° beroepsinkomen;
  4° divers inkomen.

  Afdeling II. - Inkomen van onroerende goederen.

  Onderafdeling I. - Belastbare inkomsten.

  Art. 7. § 1. Inkomsten van onroerende goederen zijn :
  1° (voor niet verhuurde onroerende goederen :
  a) voor in België gelegen goederen :
  - het kadastraal inkomen wanneer het gaat om ongebouwde onroerende goederen of de in artikel 16 vermelde woning;
  - het kadastraal inkomen (verhoogd met 40 pct.) wanneer het andere goederen betreft; <KB 1996-12-20/40, art. 2, 1°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  b) voor in het buitenland gelegen goederen : de huurwaarde;) <W 1994-03-30/39, art. 1, 1°, 002; ED : 01-01-1995>
  2° voor verhuurde onroerende goederen :
  a) (voor in België gelegen goederen verhuurd aan een natuurlijke persoon die ze noch geheel, noch gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid :
  - het kadastraal inkomen wanneer het ongebouwde onroerende goederen betreft;
  - het kadastraal inkomen (verhoogd met 40 pct.) wanneer het andere goederen betreft;) <W 1994-03-30/39, art. 1, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <KB 1996-12-20/40, art. 2, 1°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  b) het kadastraal inkomen, wanneer die goederen in België zijn gelegen, overeenkomstig de pachtwetgeving zijn verhuurd en door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt;
  (bbis) het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het gaat om gebouwde onroerende goederen verhuurd aan een rechtspersoon die geen vennootschap is, met het oog op het ter beschikking stellen ervan :
  - aan een natuurlijke persoon om uitsluitend als woning te worden gebruikt;
  - aan meerdere natuurlijke personen die ze uitsluitend gezamenlijk als woning gebruiken.) <W 1997-07-06/76, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  c) het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen dat niet lager mag zijn dan het kadastraal inkomen, (wanneer het andere in België gelegen ongebouwde onroerende goederen betreft, of het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het andere in België gelegen gebouwde onroerende goederen betreft); <KB 1996-12-20/40, art. 2, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  d) het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen wanneer het in het buitenland gelegen onroerende goederen betreft;
  3° de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten.
  § 2. Wanneer een huurvoordeel bestaat in een eenmaal door de huurder gedane uitgave, wordt het bedrag ervan over de gehele duur van het huurcontract verdeeld.

  Art. 8. Ingeval een in België gelegen onroerend goed aan een natuurlijke persoon is verhuurd en de huurprijs en de huurvoordelen in een geregistreerde huurovereenkomst afzonderlijk zijn vastgesteld voor het gedeelte dat voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en het gedeelte dat voor andere doeleinden wordt gebruikt, worden de inkomsten van ieder gedeelte afzonderlijk bepaald ingevolge artikel 7, § 1, 2°, a of c, naar het geval.

  Art. 9. Wanneer in een belastbaar tijdperk het kadastraal inkomen wordt vastgesteld of gewijzigd, of de bestemming van een onroerend goed wordt gewijzigd, worden de inkomsten van dat tijdperk, vastgesteld in verhouding tot de werkelijke duur, uitgedrukt in maanden, van elk deel van het belastbare tijdperk voor en na de wisseling van omstandigheden.

  Art. 10. § 1. De bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, omvatten de erfpacht- of opstalvergoeding en alle andere voordelen verkregen door de overdrager.
  De waarde van de verkregen voordelen is gelijk aan de waarde die daaraan wordt toegekend voor de heffing van het registratierecht op de overeenkomst van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, waarin die voordelen worden bedongen.
  Die bedragen zijn inkomsten van het jaar waarin ze worden betaald of toegekend, zelfs indien ze betrekking hebben op de gehele duur van het recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, of op een deel daarvan.
  § 2. De in § 1 vermelde inkomsten omvatten niet de bedragen die worden verkregen voor het verlenen van het recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen ingevolge een niet opzegbare overeenkomst van erfpacht of van opstal of van een gelijkaardig onroerend recht, op voorwaarde dat :
  1° de bij overeenkomst bepaalde termijnen het de eigenaar mogelijk maken het in het gebouw belegde kapitaal of, als het een bestaand gebouw betreft, de verkoopwaarde ervan volledig weer samen te stellen en de rentelast en andere kosten van de verrichting te dekken;
  2° de eigendom van het gebouw bij het einde van de overeenkomst van rechtswege op de gebruiker overgaat of de overeenkomst een aankoopoptie voor de gebruiker bevat.

  Art. 11. De inkomsten als omschreven in artikel 7, § 1, 1° en 2°, zijn, naar het geval, belastbaar ten name van de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van het goed.

  Onderafdeling II. - Vrijgestelde inkomsten.

  Art. 12. (§ 1. Vrijgesteld is het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen.) <W 1996-05-21/47, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 10-08-1996>
  § 2. Onverminderd de heffing van de onroerende voorheffing zijn vrijgesteld de inkomsten van in België gelegen onroerende goederen die bij loopbaanpacht worden verhuurd.
  (Dezelfde vrijstelling geldt voor pachtovereenkomsten van gronden die opgesteld zijn bij authentieke akte en die voorzien in een eerste gebruiksperiode van minimaal achttien jaar.) <W 1999-05-13/42, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 13-07-1999>

  Onderafdeling III. - Vaststelling van het netto-inkomen.

  Art. 13. Met betrekking tot de huurwaarde, de huurprijs en de huurvoordelen van onroerende goederen wordt onder netto-inkomen verstaan het brutobedrag van de inkomsten, uit hoofde van onderhouds- en herstellingskosten verminderd met :
  - 40 pct. voor gebouwde onroerende goederen, alsmede voor materieel en de outillage, die van nature of door hun bestemming onroerend zijn, zonder dat de vermindering, met betrekking tot de in artikel 7, § 1, 2°, c, vermelde onroerende goederen, meer mag bedragen dan tweederde van het kadastraal inkomen, gerevaloriseerd met een door de Koning bepaalde coëfficiënt; die coëfficiënt wordt verkregen door de gemiddelde waarde van de handelshuurprijzen en huurvoordelen op 1 januari van het jaar voor dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd te delen door de gemiddelde waarde van die huurprijzen en voordelen op het in artikel 486 bepaalde referentietijdstip;
  - 10 pct. voor ongebouwde onroerende goederen.

  Art. 14. <W 1994-07-06/33, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995> Van de inkomsten van onroerende goederen worden afgetrokken mits zij in het belastbare tijdperk zijn betaald of gedragen :
  1° de interest uit hoofde van schulden die specifiek zijn aangegaan om die goederen te verkrijgen of te behouden, met dien verstande dat interest betreffende een schuld die voor één enkel onroerend goed is aangegaan, van het totale bedrag van de onroerende inkomsten kan worden afgetrokken;
  2° de termijnen en de waarde van ermee gelijkgestelde lasten met betrekking tot de aanschaffing van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, met uitsluiting van de in artikel 10, § 2, vermelde rechten van gebruik.
  Onverminderd de toepassing van artikel 104, 9°, is het totale bedrag van de in het eerste lid vermelde aftrekken beperkt tot het overeenkomstig de artikelen 7 tot 13 bepaalde onroerende inkomen.
  Deze aftrekken worden bij voorrang en evenredig afgetrokken van de andere inkomsten van onroerende goederen dan het voor woningaftrek in aanmerking komende kadastraal inkomen.
  (Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de in het eerste lid vermelde aftrekken van de ene belastingplichtige groter zijn dan zijn inkomsten van onroerende goederen, wordt het saldo aangerekend op de inkomsten van de onroerende goederen van de andere belastingplichtige.) <W 2001-08-10/63, art. 4, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 15. <W 1995-04-12/48, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1996> § 1. Het kadastraal inkomen wordt proportioneel verminderd in verhouding tot de duur en de omvang van de niet-bewoning, het buiten werking blijven of de onproduktiviteit :
  1° wanneer een niet gemeubileerd gebouwd onroerend goed in de loop van het jaar gedurende ten minste 90 dagen niet in gebruik is genomen en geen inkomsten heeft opgebracht;
  2° wanneer materieel en outillage geheel, of voor een gedeelte dat ten minste 25 pct. van het kadastraal inkomen ervan vertegenwoordigt, in het jaar gedurende ten minste 90 dagen buiten werking zijn gebleven;
  3° wanneer een gebouwd onroerend goed of materieel en outillage geheel, of voor een gedeelte dat ten minste 25 pct. van het kadastraal inkomen ervan vertegenwoordigt, zijn vernield.
  § 2. De voorwaarden voor de vermindering moeten worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van kadastraal perceel wanneer dat gedeelte ofwel een afzonderlijke woning is, ofwel een afdeling van de produktie of van de werkzaamheden die, of een onderdeel daarvan dat afzonderlijk kan werken of kan worden geacht afzonderlijk te werken, ofwel een eenheid die van de andere goederen of delen die het perceel vormen kan worden afgezonderd en afzonderlijk kan worden gekadastreerd.
  § 3. De onproduktiviteit moet onvrijwillig zijn. Deze is niet voldoende bewezen wanneer de belastingplichtige zich ertoe beperkt het goed tegelijkertijd te huur en te koop aan te bieden.
  <NOTA : Bij arrest nr.74/96 van 11 december 1996 (B.St. 09-01-1997, p. 410 - 417) heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd; Opheffing : 01-01-1996>

  Onderafdeling IV. - Woningaftrek.

  Art. 16. <W 2001-08-10/63, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> § 1. Wanneer de belastingplichtige een woning betrekt waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is, wordt het kadastraal inkomen van die woning verminderd met een woningaftrek.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het kadastraal inkomen van de woning verstaan, het deel dat daarvan per belastingplichtige overblijft na de toepassing van artikel 14.
  § 2. Wanneer de belastingplichtige meer dan één woning betrekt, wordt de woningaftrek toegekend voor één enkele woning naar zijn keuze.
  De woningaftrek wordt eveneens toegekend wanneer de woning om beroepsredenen of redenen van sociale aard niet persoonlijk door de belastingplichtige wordt betrokken.
  De woningaftrek wordt niet toegekend voor het deel van de woning dat wordt gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige of van een van zijn gezinsleden of dat wordt betrokken door personen die geen deel uitmaken van zijn gezin.
  § 3. Wanneer gehuwde belastingplichtigen meer dan één woning betrekken, wordt de woningaftrek slechts toegekend voor de door de echtgenoten gekozen woning die zij beide betrekken. De aftrek mag eveneens worden toegekend voor een woning die de echtgenoten of één van hen om beroepsredenen of redenen van sociale aard niet persoonlijk betrekken.
  § 4. De woningaftrek bedraagt 3 000 EUR.
  De woningaftrek wordt verhoogd met 250 EUR voor iedere persoon die, overeenkomstig artikel 136, op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, ten laste is van de belastingplichtige. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de woning eigendom is van beide echtgenoten samen, wordt die verhoging over hen verdeeld in verhouding tot hun deel in het kadastraal inkomen van de woning.
  Voor de vaststelling van de verhoogde woningaftrek komt het hoogste aantal kinderen dat de belastingplichtige op 1 januari van enig vorig jaar ten laste heeft gehad in aanmerking, voor zover hij nog dezelfde woning betrekt en die berekening een hogere aftrek oplevert dan uit de toepassing van het tweede lid volgt.
  § 5. Wanneer het totale netto-inkomen van de belastingplichtige niet hoger is dan 23 500 EUR wordt de overeenkomstig § 4 bepaalde woningaftrek verhoogd met de helft van het verschil tussen het kadastraal inkomen van de woning en de woningaftrek.
  Het overschrijden van de grens van 23 500 EUR mag er niet toe leiden dat de verhoging ingevolge het eerste lid wordt verminderd met meer dan de helft van het verschil tussen het totale netto-inkomen en die grens.
  § 6. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de woningaftrek voor een van de echtgenoten groter is dan het deel dat hij heeft in het kadastraal inkomen van de woning, wordt het saldo aangerekend op het deel van het kadastraal inkomen van de andere echtgenoot, zonder dat dit deel mag worden overschreden.

  Afdeling III. - Inkomen van roerende goederen en kapitalen.

  Onderafdeling I. - Bepaling.

  Art. 17. § 1. (Inkomsten uit roerende goederen en kapitalen zijn alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welken hoofde ook, namelijk :
  1° dividenden;
  2° interest;
  3° inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen;
  4° inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten die geen pensioenen zijn en na 1 januari 1962 onder bezwarende titel zijn aangelegd ten laste van enige rechtspersoon of onderneming.) <W 1998-12-22/36, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  § 2. Wanneer het bedrag van de inkomsten in vreemde valuta is bepaald, wordt het (in euro) omgezet naar de wisselkoers bij de betaling of de toekenning van die inkomsten. <KB 2000-07-20/64, art. 4, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 18. Dividenden omvatten :
  1° (alle voordelen toegekend door een vennootschap aan aandelen en winstbewijzen hoe ook genaamd, uit welken hoofde en op welke wijze ook verkregen;) <W 1998-12-22/36, art. 3, 1°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  2° gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal, met uitzondering van terugbetalingen van gestort kapitaal verkregen ter uitvoering van een regelmatige beslissing tot vermindering van het maatschappelijk kapitaal, overeenkomstig de voorschriften van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen;
  (2°bis gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van uitgiftepremies, onder dezelfde voorwaarde en in dezelfde mate als de terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal;) <W 1998-12-22/36, art. 3, 2°, 043; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  (3° de vergoedingen voor ontbrekende coupon van aandelen die toegelaten zijn tot verhandeling op een gereglementeerde markt zoals bedoeld in de richtlijn 93/221/EEG betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten of op een gereglementeerde markt van een niet-Lid-Staat van de Europese Gemeenschap waarvan de wetgeving minstens in gelijkwaardige toelatingsvoorwaarden voorziet, wanneer deze vergoedingen worden verleend of toegekend naar aanleiding van een lening van deze aandelen, ter vervanging van dividenden die er verband mee houden;) <W 1999-03-10/38, art. 44, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  (4°) (interest van voorschotten wanneer één van volgende grenzen wordt overschreden en in de mate van die overschrijding : <W 1999-03-10/38, art. 44, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  - ofwel de in artikel 55 gestelde grens,
  - (ofwel wanneer het totaal bedrag van de rentegevende voorschotten hoger is dan de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk).) <W 1992-07-28/30, art. 1, 1°; Inwerkingtreding : 27-03-1992> <KB 1996-12-20/40, art. 3, 1°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (Als voorschot wordt beschouwd, elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde geldlening verstrekt door een natuurlijk persoon aan een vennootschap waarvan hij aandelen bezit of door een persoon aan een vennootschap waarin hij een opdracht of functies als vermeld in artikel 32, eerste lid, 1°, uitoefent, alsmede in voorkomend geval, elke geldlening verstrekt aan die vennootschap, door hun echtgenoot of hun kinderen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, met uitzondering van :
  1° obligaties en andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen;
  2° geldleningen aan coöperatieve vennootschappen die door de Nationale Raad van de Coöperatie zijn erkend;
  3° geldleningen verstrekt door in artikel 179 vermelde vennootschappen.) <KB 1996-12-20/40, art. 3, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (De dividenden omvatten niet de inkomsten bedoeld in artikel 19, § 1, 4°.) <W 1996-03-20/32, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 07-04-1995>

  Art. 19. § 1. Interest omvat :
  1° (interest, premies en alle andere opbrengsten van leningen en gelddeposito's, van leningen van aandelen en van elke andere schuldvordering van dezelfde aard;) <W 1999-03-10/38, art. 45, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  2° de in artikel 10, § 2, vermelde termijnen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen wordt verleend, met uitzondering van het in die termijnen begrepen gedeelte dat dient om het in het gebouw belegde kapitaal of, als het een bestaand gebouw betreft, de verkoopwaarde ervan, volledig weer samen te stellen.
  (3° de inkomsten begrepen in kapitalen en afkoopwaarden vereffend bij leven betreffende levensverzekeringscontracten die de belastingplichtige individueel heeft gesloten, wanneer het gaat om :
  a) hetzij contracten die een gewaarborgd rendement bepalen en waarvan, overeenkomstig de artikelen 1451 tot 14520, geen enkele premie aanleiding heeft gegeven tot een belastingvermindering voor het lange termijnsparen;
  b) hetzij contracten die verbonden zijn aan één of verschillende beleggingsfondsen wanneer bij hun inschrijving verbintenissen worden aangegaan die wat betreft hun duur en hun bedrag of hun rendementsvoet bepaald zijn;) <W 1996-03-20/32, art. 4, 1°, 018; Inwerkingtreding : 07-04-1995>
  (4° de inkomsten uit aandelen betaald of toegekend door beleggingsvennootschappen, en gehaald uit de gehele of gedeeltelijke verdeling van hun maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van hun eigen aandelen, wanneer bij het openbaar aanbod in België van de aandelen verbintenissen werden aangegaan die, wat het terugbetalingsbedrag of de rendementsvoet ervan betreft, bepaald waren en wanneer die verbintenissen betrekking hebben op een periode kleiner dan of gelijk aan acht jaar.) <W 1996-03-20/32, art. 4, 2°, 018; Inwerkingtreding : 07-04-1995>
  § 2. Met betrekking tot vastrentende effecten (of in § 1, 4°, vermelde aandelen) omvatten de inkomsten iedere som die boven de uitgifteprijs wordt betaald of toegekend, ongeacht of de toekenning plaatsheeft op de bij overeenkomst vastgestelde vervaldag. <W 1996-03-20/32, art. 4, 3°, 018; Inwerkingtreding : 07-04-1995>
  Die inkomsten zijn ten name van elke opeenvolgende houder van de effecten belastbaar in verhouding tot het tijdperk waarin hij houder is geweest.
  (§ 3. Met betrekking tot gelddeposito's, omvatten de inkomsten de opbrengsten uit verrichtingen tot afstand, uit welken hoofde ook, door de ene partij van een som geld aan de tegenpartij waarbij deze laatste tegenover de eerste de verbintenis aangaat om op een vooraf bepaalde datum of gedurende een overeengekomen periode een hogere som geld terug te geven waarvan het bedrag bij de aanvang is overeengekomen. De inkomsten stemmen overeen met het verschil tussen die twee bedragen ongeacht de wijze van berekening en vaststelling.) <W 1992-07-28/30, art. 2; Inwerkingtreding : 10-08-1992>
  (§ 4. Met betrekking tot kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten vermeld in § 1, 3°, stemmen de inkomsten overeen met het verschil tussen, enerzijds de betaalde of toegekende bedragen met uitsluiting van de overeenkomstig artikel 40 vrijgestelde deelnemingen in de winst, en, anderzijds, het totaal van de gestorte premies.
  Het belastbare bedrag van de inkomsten (vermeld in § 1, 3°, a,) mag evenwel niet lager zijn dan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie van de interesten tegen 4,75 pct. per jaar, berekend op het totale bedrag van de gestorte premies.) <W 1993-07-22/30, art. 1, 2°; Inwerkingtreding : 07-05-1993> <W 1996-03-20/32, art. 4, 4°, 018; Inwerkingtreding : 07-04-1995>

  Art. 20. Wanneer in artikel 17, § 1, 4°, vermelde lijfrenten zijn aangelegd tegen storting met afstand van het kapitaal, wordt het belastbare bedrag ervan beperkt tot 3 pct. van dat kapitaal; betreft het renten die voortvloeien uit de overdracht van de eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van onroerende goederen, dan wordt de waarde van het kapitaal bepaald zoals op het stuk van registratierechten.

  Onderafdeling II. - Niet als inkomsten van roerende goederen en kapitalen belastbare inkomsten.

  Art. 21. De inkomsten van roerende goederen en kapitalen omvatten niet :
  1° inkomsten uit preferente aandelen van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
  2° (inkomsten van aandelen, andere dan die vermeld in artikel 19, § 1, 4°, betaald of toegekend bij gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van eigen aandelen door vennootschappen;) <W 1998-12-22/36, art. 4, 1°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  3° inkomsten uit Belgische overheidsfondsen en uit leningen van voormalig Belgisch Kongo die zijn uitgegeven met vrijstelling van Belgische zakelijke en personele belastingen, of van elke belasting;
  4° loten van effecten van leningen;
  5° (de eerste schijf van (1.250 EUR) per jaar van de inkomsten uit spaardeposito's die zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn zijn ontvangen door de in België gevestigde kredietinstellingen die vallen onder de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen,
  met dien verstande dat : <KB 2001-07-13/50, art. 1, 089; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  - deze deposito's bovendien moeten voldoen aan de vereisten die de Koning stelt op advies van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen (...), wat betreft de munt waarin deze deposito's luiden en de voorwaarden en wijze van terugneming en opneming, evenals wat betreft de structuur en het niveau en de wijze van berekening van de vergoeding ervan; <W 1998-12-22/36, art. 4, 2°, 043; Inwerkingtreding : 19-04-1993>
  - als opzeggingstermijn in de zin van deze bepaling niet worden beschouwd de termijnen die slechts een waarborg zijn die de depositaris voor zich heeft bedongen;) <W 1993-07-22/30, art. 92, 1°; Inwerkingtreding : 19-04-1993>
  6° (de eerste schijf van (126 EUR) van dividenden van de door de nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, met uitzondering van de coöperatieve participatievennootschappen bedoeld in de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen;) <W 2001-05-22/33, art. 24, 083; Inwerkingtreding : onbepaald> <KB 2001-07-13/50, art. 44, 092; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  7° inkomsten uit effecten van leningen voor de herfinanciering van leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij of door het Amortisatiefonds van de leningen voor de sociale huisvesting. (Deze bepaling geldt slechts voor de leningen toegestaan bij de koninklijke besluiten van 25 november 1986, 5 december 1986, 9 maart 1987, 27 april 1987 en 18 juni 1987.); <W 1995-03-22/34, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  8° inkomsten van roerende goederen en kapitalen, die in het kader van het pensioensparen worden verleend of toegekend aan daartoe erkende instellingen voor collectieve belegging of aan houders van een individuele spaarrekening ter zake van de in die rekening begrepen activa, voor zover aan de op dat stuk gestelde vereisten is voldaan en de gestorte bedragen in het kader van het pensioensparen (voor belastingvermindering in aanmerking zijn genomen); de Koning neemt bijzondere maatregelen voor de toepassing van en de controle op deze bepaling. <W 1994-07-06/33, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  9° (inkomsten die zijn begrepen in kapitalen en afkoopwaarden betreffende levensverzekeringscontracten gesloten door een natuurlijke persoon, zoals die in artikel 19, § 1, 3°, worden omschreven, in elk van de volgende gevallen:
  a) wanneer de belastingplichtige die het contract heeft aangegaan alleen zichzelf heeft verzekerd en de voordelen van het contract bij leven bedongen zijn ten eigen gunste en het contract voorziet in het betalen bij het overlijden van een kapitaal gelijk aan ten minste 130 % van het totaal van de gestorte premies;
  b) wanneer het contract gesloten is voor meer dan acht jaar en de kapitalen of afkoopwaarden effectief worden betaald meer dan acht jaar na het sluiten van het contract.) <W 1995-12-20/31, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 27-10-1995>
  (10° de eerste schijf van (126 EUR) van interesten of dividenden betaald of toegekend door vennootschappen met een sociaal oogmerk : <KB 2001-07-13/50, art. 44, 092; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  - die erkend zijn zowel door de minister van Financiën als door de minister of de ministers die bevoegd zijn tot de verlening ervan;
  - die uitsluitend als maatschappelijk doel hebben :
  a) de bijstand aan personen;
  b) de vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimte;
  c) de bescherming van het leefmilieu, daaronder begrepen de recyclage;
  d) de natuurbescherming en het natuurbehoud;
  e) de verwerving, het bouwen, de vernieuwing, de verkoop of het verhuren van sociale huisvesting;
  f) de hulp aan ontwikkelingslanden;
  g) de productie van duurzame energie;
  h) de vorming;
  i) de financiering van de hierboven bedoelde vennootschappen;
  - en voor zover hun statuten bepalen dat in geval van vereffening het volledige netto-actief opnieuw wordt geïnvesteerd in een andere onder vorig streepje vermelde vennootschap met sociaal oogmerk.) <W 1999-03-26/30, art. 62, 047; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Onderafdeling III. - Vaststelling van het netto-inkomen.

  Art. 22. § 1. Onder netto-inkomen van roerende goederen en kapitalen wordt het bedrag verstaan dat in enige vorm is geïnd of verkregen, voor aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten, en verhoogd met de roerende voorheffing en met de fictieve roerende voorheffing.
  Behalve indien dat inkomen (ingevolge artikel 171, 2°bis en 3°bis), afzonderlijk wordt belast, wordt het verminderd met de desbetreffende innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten. <W 1994-03-30/39, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  § 2. Interest van schulden aangegaan om inkomsten van roerende goederen en kapitalen te verkrijgen of te behouden is niet aftrekbaar.
  § 3. Onverminderd de toepassing van het bepaalde in § 2, wordt onder netto-inkomen van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen het brutobedrag verstaan, verminderd met de kosten die zijn gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden; bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden die kosten forfaitair geraamd volgens percentages die de Koning bepaalt.

  Afdeling IV. - Beroepsinkomen.

  Onderafdeling I. - Belastbare inkomsten.

  A. ALGEMEEN.

  Art. 23. § 1. Beroepsinkomsten zijn inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks voortkomen uit werkzaamheden van alle aard, met name :
  1° winst;
  2° baten;
  3° winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid;
  4° bezoldigingen;
  5° pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen.
  § 2. Onder het nettobedrag van beroepsinkomsten wordt verstaan het totale bedrag van die inkomsten met uitsluiting van de vrijgestelde inkomsten en na uitvoering van de volgende bewerkingen :
  1° het brutobedrag van de inkomsten van iedere beroepswerkzaamheid wordt verminderd met de beroepskosten die op deze inkomsten betrekking hebben;
  2° beroepsverliezen die tijdens het belastbare tijdperk zijn geleden uit hoofde van enige beroepswerkzaamheid, worden afgetrokken van de inkomsten van andere beroepswerkzaamheden;
  3° van de beroepsinkomsten, bepaald overeenkomstig 1° en 2°, worden de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken afgetrokken;
  4° (...) <W 1992-12-28/32, art. 73; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  § 3. De Koning bepaalt de wijze waarop en de volgorde waarin de vrijstellingen en aftrekken worden aangerekend.

  B. WINST.

  Art. 24. Winst bestaat uit inkomsten van alle nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen die voortkomen :
  1° uit alle verrichtingen gedaan door de inrichtingen van die ondernemingen of door toedoen daarvan;
  2° uit enige waardevermindering van activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt en uit enige uit die werkzaamheid volgende waardevermindering van passiva, wanneer de desbetreffende meerwaarden of minderwaarden zijn verwezenlijkt of in de boekhouding of jaarrekening zijn uitgedrukt;
  3° uit enige, zelfs niet-uitgedrukte of zelfs niet-verwezenlijkte meerwaarde op financiële vaste activa en andere effecten in portefeuille die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt, indien de waarde daarvan op het einde van het belastbare tijdperk is toegenomen en in zover ze niet hoger is dan de aanschaffings- of beleggingswaarde;
  4° uit onderwaarderingen van activa of overwaarderingen van passiva, in zover de onderwaardering of de overwaardering niet samenvalt met een al dan niet uitgedrukte vermeerdering of vermindering, naar het geval, noch met afschrijvingen die voor de toepassing van de belasting in aanmerking zijn genomen.
  De bovenvermelde activa omvatten alle vermogensbestanddelen, met inbegrip van voorraden en bestellingen in uitvoering.
  Meerwaarden op in artikel 66 vermelde voertuigen worden slechts tot 75 pct. in aanmerking genomen.

  Art. 25. Winst omvat eveneens :
  1° het loon dat de ondernemer zich voor zijn persoonlijke arbeid toekent;
  2° de voordelen van alle aard die de ondernemer behaalt uit hoofde of ter gelegenheid van het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid;
  3° de baten van de speculaties van de ondernemer;
  4° de sommen gebruikt om geleende kapitalen geheel of gedeeltelijk (terug te betalen, om de onderneming uit te breiden) of om de waarde van de activa te verhogen; <W 1994-07-06/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  5° alle reserves, voorzorgfondsen of voorzieningen, het naar het volgende jaar overgebrachte resultaat en alle sommen waaraan een soortgelijke bestemming is gegeven;
  6° de vergoedingen van alle aard die de ondernemer gedurende de exploitatie verkrijgt :
  a) ter compensatie of naar aanleiding van enige handeling die een vermindering van de beroepswerkzaamheid of van de winst van de onderneming tot gevolg kan hebben (, met uitzondering van de vergoedingen ontvangen naar aanleiding van het vrijmaken van referentiehoeveelheden overeenkomstig artikel 15 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1996 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten); <W 1998-05-19/31, art. 2, 039; Inwerkingtreding : 06-07-1998>
  b) tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke winstderving.

  Art. 26. <W 1992-07-28/30, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Wanneer een in België gevestigde onderneming abnormale of goedgunstige voordelen verleent, worden die voordelen, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54, bij haar eigen winst gevoegd, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger.
  Niettegenstaande de in het eerste lid vermelde beperking worden de abnormale of goedgunstige voordelen bij de eigen winst gevoegd wanneer die voordelen worden verleend aan :
  1° een in artikel 227 vermelde belastingsplichtige ten aanzien waarvan de in België gevestigde onderneming zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt;
  2° een in artikel 227 vermelde belastingplichitige of aan een buitenlandse inrichting die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij gevestigd zijn, aldaar niet aan een inkomstenbelasting zijn onderworpen of aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling zijn onderworpen dan die waaraan de in België gevestigde onderneming is onderworpen;
  3° een in artikel 227 vermelde belastingplichtitige die belangen gemeen heeft met de in 1° of 2° vermelde belastingplichtige of inrichting.

  C. BATEN

  Art. 27. Baten zijn alle inkomsten uit een vrij beroep, een ambt of post en alle niet als winst of als bezoldigingen aan te merken inkomsten uit een winstgevende bezigheid.
  Zij omvatten :
  1° de ontvangsten;
  2° de voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid;
  3° alle verwezenlijkte meerwaarden op activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt;
  4° de vergoedingen van alle aard die gedurende het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn verkregen :
  a) ter compensatie of naar aanleiding van enige handeling die een vermindering van de beroepswerkzaamheid of van de baten daarvan tot gevolg kan hebben;
  b) tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van baten.
  Meerwaarden op de in artikel 66 vermelde voertuigen worden slechts tot 75 pct. in aanmerking genomen.
  (5° de vergoeding van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Raden en het Europees Parlement, alsmede de vergoedingen voor de uitoefening van bijzondere functies in die vergaderingen, met uitzondering van de terugbetaling door de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Raden en het Europees Parlement (en de provincieraden) van gedane kosten.) <W 1995-04-07/94, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1996> <W 1999-05-04/86, art. 5, 064; Inwerkingtreding : onbepaald>

  D. WINST EN BATEN VAN EEN VORIGE BEROEPSWERKZAAMHEID.

  Art. 28. Winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid die de verkrijger of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is voorheen heeft uitgeoefend, zijn :
  1° inkomsten die worden verkregen of vastgesteld uit hoofde of naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van de onderneming of van de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende bezigheid en voortkomen uit meerwaarden op activa die voor de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt;
  2° inkomsten die worden verkregen of vastgesteld na de stopzetting en voortkomen uit de vorige beroepswerkzaamheid;
  3° de vergoedingen van alle aard die na de stopzetting zijn verkregen :
  a) ter compensatie of naar aanleiding van enige handeling die een vermindering van de werkzaamheid, van de winst of van de baten tot gevolg heeft of zou kunnen hebben (, met uitzondering van de vergoedingen ontvangen naar aanleiding van het vrijmaken van referentiehoeveelheden overeenkomstig artikel 15 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1996 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten); <W 1998-05-19/31, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 06-07-1998>
  b) of tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of van baten.
  Dit artikel is eveneens van toepassing wanneer één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid gedurende het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid volledig en definitief worden stopgezet.

  E. BURGERLIJKE VENNOOTSCHAPPEN OF VERENIGINGEN ZONDER RECHTSPERSOONLIJKHEID.

  Art. 29. § 1. In burgerlijke vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid die winst of baten verkrijgen, worden de opnemingen van de vennoten of leden en hun deel in de verdeelde of onverdeelde winst of baten, als winst of baten van de vennoten of leden aangemerkt.
  § 2. Voor de toepassing van § 1, worden geacht verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid te zijn :
  1° onregelmatig opgerichte handelsvennootschappen;
  2° landbouwvennootschappen, behalve indien deze voor de heffing van de vennootschapsbelasting hebben gekozen; de Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de keuze en het behoud ervan zijn onderworpen;
  3° Europese economische samenwerkingsverbanden;
  4° economische samenwerkingsverbanden.
  (5° verenigingen van medeëigenaars die krachtens artikel 577-5, § 1, van het Burgerlijk Wetboek rechtspersoonlijkheid bezitten.) <W 1998-12-22/36, art. 5, 043; Inwerkingtreding : 01-08-1995>

  F. BEZOLDIGINGEN.

  Art. 30. <KB 1996-12-20/40, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998> Bezoldigingen omvatten, ongeacht de schuldenaar of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend :
  1° bezoldigingen van werknemers;
  2° bezoldigingen van bedrijfsleiders.

  Art. 31. Bezoldigingen van werknemers zijn alle beloningen die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever.
  Daartoe behoren inzonderheid :
  1° wedden, lonen, commissies, gratificaties, premies, vergoedingen en alle andere soortgelijke beloningen, met inbegrip van fooien en toelagen die, zelfs toevallig, uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid op enige andere wijze worden verkregen dan als terugbetaling van eigen kosten van de werkgever;
  2° voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid;
  3° vergoedingen verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het stopzetten van de arbeid of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst;
  4° vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen;
  5° bezoldigingen die door een werknemer zijn verkregen, zelfs indien ze zijn betaald of toegekend aan zijn rechtverkrijgenden.
  (Lid 3 opgeheven) <W 1994-12-21/31, art. 91, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (Wanneer de in artikel 145.1., 4°, vermelde aandelen anders dan bij overlijden worden overgedragen binnen vijf jaar na de aanschaffing ervan, wordt als bezoldiging van werknemer aangemerkt een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de bedragen die voor belastingvermindering in aanmerking zijn gekomen, als er volle maanden overblijven tot het einde van de termijn van vijf jaar.) <W 1992-12-28/32, art. 74; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  De Koning bepaalt minimumbedragen voor bezoldigingen die belastbaar zijn ten name van werknemers die volledig, hoofdzakelijk of bijkomend met fooien bezoldigd worden.
  (Als bezoldigingen zijn eveneens belastbaar, de wedden en vergoedingen van de leden van de bestendige deputatie, met uitzondering van de terugbetaling van de kosten verbonden aan de uitoefening van het ambt.) <W 1999-05-04/86, art. 6, 064; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 32. <KB 1996-12-20/40, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998> (Bezoldigingen van bedrijfsleiders zijn alle beloningen verleend of toegekend aan een natuurlijk persoon die :
  1° een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefent;
  2° in de vennootschap een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard, uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst.) <W 1999-05-04/54, art. 2, A), 056; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Daartoe behoren inzonderheid :
  1° vaste of veranderlijke tantièmes, zitpenningen, emolumenten en alle andere sommen toegekend door vennootschappen, andere dan dividenden of terugbetalingen van eigen kosten van de vennootschap;
  2° voordelen, vergoedingen en bezoldigingen die in wezen gelijkaardig zijn aan die vermeld in artikel 31, tweede lid, 2° tot 5°;
  3° in afwijking van artikel 7, de huurprijs en de huurvoordelen van een gebouwd onroerend goed verhuurd door de in het eerste lid, 1°, vermelde personen aan de vennootschap waarin zij een opdracht of gelijksoortige functies uitoefenen, voor zover zij meer bedragen dan vijf derden van het kadastraal inkomen gerevaloriseerd met de in artikel 13 vermelde coëfficiënt. Van deze bezoldigingen worden de kosten in verband met het verhuurde onroerend goed niet in aftrek gebracht.
  (Het eerste lid is niet van toepassing op natuurlijke personen, die onbezoldigd een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefenen in verenigingen zonder winstoogmerk of andere rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 220, 3°, mits de inkomsten van onroerende goederen die zij uit diezelfde vereniging of rechtspersoon verkrijgen niet voor de in het tweede lid, 3°, bedoelde herkwalificatie tot bezoldiging in aanmerking komen.) <W 1999-05-04/54, art. 2, B), 056; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 33. (Opgeheven) <KB 1996-12-20/40, art. 6, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  G. PENSIOENEN, RENTEN EN ALS ZODANIG GELDENDE TOELAGEN.

  Art. 34. § 1. Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen omvatten, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend :
  (1° pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid;) <W 2000-07-19/35, art. 2, 072; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (1°bis pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken;) <W 2000-07-19/35, art. 2, 072; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  2° pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in (artikel 145.1., 1°, of door middel van bijdragen (als vermeld in de artikelen 145.1., 2° en 145.17., 1°)), of door middel van werkgeversbijdragen; <W 1992-12-28/32, art. 75, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1993> <W 2000-05-17/33, art. 2, 068; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  3° inkomsten uit pensioensparen ingevolge (artikel 145.8). <W 1992-12-28/32, art. 34, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  § 2. Tot de inkomsten uit pensioensparen behoren :
  1° spaartegoeden op een collectieve of individuele spaarrekening;
  2° pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van een spaarverzekering;
  3° de volgende overdrachten :
  - gedeeltelijke overdrachten van tegoeden van spaarrekeningen of van technische reserves van spaarverzekeringen;
  - volledige overdrachten van tegoeden van een individuele of collectieve spaarrekening naar een spaarverzekering;
  - volledige overdrachten van technische reserves betreffende een spaarverzekering naar een individuele of collectieve spaarrekening.
  § 3. (Het belastbare bedrag van de in § 2, 1°, vermelde spaartegoeden is gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie, tegen een rentevoet van 4,75 pct. per jaar, van het totale bedrag van de op de spaarrekening ingeschreven nettosommen die als belastingvermindering in aanmerking zijn genomen.) <W 1992-12-28/32, art. 75, 3°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  De Koning kan die rentevoet aanpassen ten gevolge van de wijziging van de technische voet van 4,75 pct., bepaald in artikel 28, 1°, a, van het koninklijk besluit van 5 juli 1985 betreffende de levensverzekeringsactiviteit.

  Art. 35. Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, die aan beide echtgenoten samen worden betaald of toegekend, worden aangemerkt als inkomsten van de echtgenoot in wiens beroepswerkzaamheid zij voor het geheel of voor het grootste gedeelte hun oorsprong vinden.

  H. RAMING VAN ANDERS DAN IN GELD VERKREGEN INKOMSTEN.

  Art. 36. Anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard gelden voor de werkelijke waarde bij de verkrijger.
  In de gevallen die Hij bepaalt kan de Koning regels stellen om die voordelen op een vast bedrag te ramen.

  I. INKOMSTEN VAN ONROERENDE EN ROERENDE GOEDEREN MET BEROEPSKARAKTER.

  Art. 37. Onverminderd de toepassing van de voorheffingen, worden inkomsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer die goederen en kapitalen worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten.
  De netto-inkomsten van die roerende goederen en kapitalen omvatten de werkelijke of fictieve roerende voorheffing, alsmede het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting.

  Onderafdeling II. - Vrijgestelde inkomsten.

  A. SOCIALE EN CULTURELE VRIJSTELLINGEN.

  Art. 38. Vrijgesteld zijn :
  1° (wettelijke kinderbijslagen, kraamgelden en adoptiepremies); <W 1994-07-06/33, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  2° pensioenen of renten ten laste van de Schatkist toegekend aan militaire en burgerlijke slachtoffers van de twee oorlogen of aan hun rechtverkrijgenden, met uitzondering van militaire anciënniteitspensioenen;
  3° de dotatie die op basis van de wet van 21 juni 1960 is toegekend aan de militairen die tijdens de oorlog 1940-1945 in de Belgische Strijdkrachten in Groot-Brittannië hebben gediend;
  4° tegemoetkomingen die krachtens de desbetreffende wetgeving aan mindervaliden of gehandicapten worden toegekend ten laste van de Schatkist;
  5° toelagen voor geneeskundige verzorging en voor begrafeniskosten, toegekend krachtens de wetgeving betreffende de verzekering tegen ziekte en invaliditeit, betreffende de schadevergoedingen voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg van en naar het werk en betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten;
  6° toelagen voor geneeskundige verzorging en voor begrafeniskosten, in het kader van de vrije ziekenfondsverzekering toegekend door de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen die goedgekeurd zijn overeenkomstig de wet van 6 augustus 1990;
  7° vergoeding voor begrafeniskosten door de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten toegekend aan de rechtverkrijgenden van zijn personeelsleden of zijn oud-personeelsleden;
  8° vergoedingen verkregen ter uitvoering van een individueel verzekeringscontract tegen lichamelijke ongevallen;
  (9° voor de werknemer wiens beroepskosten overeenkomstig artikel 51 forfaitair worden bepaald, de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling voor zover de werknemer die verplaatsing maakt :
  a) met het openbaar gemeenschappelijk vervoer : voor het volledige bedrag van de vergoeding;
  b) met een gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd : voor een bedrag dat maximaal gelijk is aan de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand;
  c) met een ander dan in a of b vermeld vervoermiddel : voor een maximum bedrag van 125 EUR per jaar;) <W 2001-08-10/63, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  10° renten toegekend aan invaliden uit vredestijd of aan hun rechtverkrijgenden, in zover zij meer bedragen dan hetgeen overeenstemt met het rust- of overlevingspensioen waarop de betrokkenen normaal aanspraak hadden kunnen maken;
  11° (de volgende sociale voordelen verkregen door de personen die in artikel 30 vermelde bezoldigingen ontvangen of hebben ontvangen, alsmede hun rechtverkrijgenden :) <KB 1996-12-20/40, art. 7, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  a) voordelen waarvoor het wegens de wijze van toekenning niet mogelijk is het door iedere verkrijger werkelijk verkregen bedrag vast te stellen;
  b) voordelen die, alhoewel individualiseerbaar, niet de aard van een werkelijke bezoldiging hebben;
  c) geringe voordelen of gelegenheidsgeschenken verkregen uit hoofde of naar aanleiding van gebeurtenissen die niet rechtstreeks in verband staan met de beroepswerkzaamheid.
  (12° de vergoedingen van de vrijwilligers van de openbare brandweerkorpsen en van de vrijwilligers van de Civiele Bescherming tot het beloop van (1.500 EUR);) <W 1998-06-08/37, art. 2, 040. Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  13° (het inkomen verkregen voor prestaties geleverd in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst zoals bepaald in artikel 3 van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst tot (3,72 EUR) per gepresteerd uur;) <W 1999-04-07/32, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <KB 2001-07-13/50, art. 1, 089; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (14° de kilometervergoeding toegekend voor verplaatsingen met de fiets tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, voor een bedrag van maximum (0,15 EUR) per kilometer.) <W 1997-08-08/00, art. 2, 2°, 034; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (15° de deelnames in het kapitaal of in de winst, toegekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen, evenals de deelnames in het kader van een investeringsspaarplan en onderhevig aan de belasting op de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen.) <W 2001-05-22/33, art. 25, 083; Inwerkingtreding : onbepaald>
  (De vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid, 9°, kan voor dezelfde verplaatsing of voor een deel hiervan niet worden gecumuleerd met de vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid, 14°.) <W 1997-08-08/00, art. 2, 3°, 034; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  B. VRIJGESTELDE PENSIOENEN, RENTEN, KAPITALEN, SPAARTEGOEDEN EN AFKOOPWAARDEN.

  Art. 39. (§ 1. De in artikel 34, § 1, 1°, vermelde pensioenen, lijfrenten of tijdelijke renten en als zodanig geldende toelagen, die zijn toegekend in geval van blijvende ongeschiktheid met toepassing van de wetgeving op de arbeidsongevallen of beroepsziekten, zijn vrijgesteld in de mate waarin ze geen herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken.
  Worden inzonderheid geacht geen herstel uit te maken van een dergelijke derving, de pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen vermeld in het vorige lid die zijn toegekend hetzij ingevolge een arbeidsongeval of een beroepsziekte die een invaliditeitsgraad tot gevolg hebben die niet meer bedraagt dan 20 %, hetzij als aanvulling op een rust- of overlevingspensioen.
  In de gevallen die niet zijn bedoeld in het tweede lid, worden de in het eerste lid vermelde pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, behoudens tegenbewijs, geacht geen herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uit te maken ten belope van het deel dat overeenstemt met de totale vergoeding vermenigvuldigd met een breuk met als teller 20 % en met als noemer de invaliditeitsgraad uitgedrukt in procent.) <W 2000-07-19/35, art. 3, 072; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (§ 2.) Pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden zijn vrijgesteld : <W 2000-07-19/35, art. 3, 072; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  1° indien en in zover zij zijn gevormd volgens de techniek van de aan de levensverzekering eigen individuele kapitalisatie en door bijdragen gestort voor 1 januari 1950;
  2° indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtverkrijgende hij is het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en :
  a) (geen vrijstelling is toegepast overeenkomstig bepalingen die vóór het aanslagjaar 1993 van toepassing waren en de in (de artikelen 145.1., 2° en 145.17,, 1°), vermelde verminderingen niet zijn verleend;) <W 1992-12-28/32, art. 76, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1993> <W 2000-05-17/33, art. 3, 068; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  b) de vrijstelling krachtens artikel 15, eerste lid, van de wet van 13 juli 1959 is geweigerd;
  c) van de vrijstelling overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van de voormelde wet of overeenkomstig artikel 508 afstand is gedaan;
  3° (indien zij voortkomen uit een spaarrekening of uit een spaarverzekeringscontract waarvoor geen vermindering werd verleend ingevolge artikel 145.1., 5°;) <W 1992-12-28/32, art. 76, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (4° indien er in zoverre zij het voorwerp zijn geweest van een taks op het lange termijnsparen als bepaald in titel XIII van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen of in artikel 119 van de wet van 28 december 1992.) <W 1992-12-28/32, art. 76, 3°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 40. Deelnemingen in de winst ter zake van levensverzekeringscontracten zijn vrijgesteld op voorwaarde dat zij gelijktijdig met de uit die contracten voortvloeiende pensioenen, renten, kapitalen of afkoopwaarden worden vereffend.

  C. MEERWAARDEN.

  Art. 41. Voor de toepassing van de artikelen 24, eerste lid, 2°, 27, tweede lid, 3° en 28, worden geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid te worden gebruikt :
  1° de vaste activa die in het kader van die werkzaamheid zijn aangeschaft of vervaardigd en als activabestanddeel zijn geboekt;
  2° de vaste activa of gedeelten ervan waarvoor fiscaal afschrijvingen of waardeverminderingen zijn aangenomen;
  3° de immateriële activa die tijdens de beroepswerkzaamheid tot stand zijn gekomen, ongeacht of zij als activabestanddeel zijn geboekt.

  Art. 42. In afwijking van artikel 1183 van het Burgerlijk Wetboek worden bestanddelen die het onderwerp zijn van een akte van vervreemding onder ontbindende voorwaarde, geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid slechts te zijn gebruikt vanaf de datum waarop aan die voorwaarde is voldaan.

  Art. 43. De verwezenlijkte meerwaarde is gelijk aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen.

  Art. 44. § 1. In afwijking van de artikelen 24, eerste lid, 2°, 27, tweede lid, 3°, 28, eerste lid, 1° en laatste lid, en onverminderd het bepaalde in artikel 24, eerste lid, 3°, zijn vrijgesteld :
  1° uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarden, met uitsluiting van meerwaarden op voorraden en bestellingen in uitvoering;
  2° verwezenlijkte meerwaarden op immateriële, materiële en financiële vaste activa en andere portefeuillewaarden in zover de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed niet hoger is dan de gerevaloriseerde waarde van de vervreemde activa verminderd met de vroeger aangenomen afschrijvingen en waardeverminderingen.
  § 2. Niettegenstaande het bepaalde in § 1, 2°, zijn meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen van landbouw- en tuinbouwondernemingen volledig en onvoorwaardelijk vrijgesteld, onverminderd het belasten als diverse inkomsten ingevolge artikel 90, 8°.
  § 3. Paragraaf 1, 1°, is niet van toepassing op uitgedrukte doch niet verwezenlijkte meerwaarden die zijn vastgesteld ter gelegenheid van de omzetting, voor dezelfde belastingplichtige, van deelnemingsrechten in een afdeling van een beleggingsvennootschap, in deelnemingsrechten in een andere afdeling van dezelfde beleggingsvennootschap.

  Art. 45. <W 1998-12-22/36, art. 6, 043; Inwerkingtreding : 01-10-1993> (§ 1.) Vrijgesteld zijn eveneens de meerwaarden op aandelen in binnenlandse vennootschappen of in vennootschappen die hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen hebben, wanneer die meerwaarden zijn verkregen of vastgesteld naar aanleiding (van een fusie door overneming, een fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, een splitsing door overneming, een splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen, een gemengde splitsing, een met splitsing gelijkgestelde verrichting) of het aannemen van een andere rechtsvorm tot stand gebracht in toepassing van hetzij de artikelen 211, § 1, of 214, § 1, voor zover de verrichting wordt vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven, hetzij van bepalingen van gelijke aard in die andere Staat. <W 1999-03-10/38, art. 46, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999> <W 2001-07-16/31, art. 10, 086; Inwerkingtreding : 06-02-2001>
  In dat geval worden meerwaarden of minderwaarden op de in ruil ontvangen aandelen bepaald met inachtneming van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de omgeruilde aandelen, eventueel verhoogd met de belaste meerwaarden of verminderd met de aangenomen minderwaarden, zowel vóór als na de ruil; voor de toepassing van artikel 44, § 1, 2°, worden de in ruil ontvangen aandelen geacht te zijn verkregen op de datum waarop de geruilde aandelen zijn verkregen. (Dienaangaande wordt de verrichting inzake een met splitsing gelijkgestelde verrichting, ten name van de aandeelhouder, gelijkgesteld met de omruiling van aandelen ingevolge splitsing.) <W 2001-07-16/31, art. 10, 086; Inwerkingtreding : 06-02-2001>
  (§ 2. Zijn eveneens vrijgesteld de meerwaarden op aandelen die toegelaten zijn tot verhandeling op een gereglementeerde markt zoals bedoeld in de richtlijn 93/22/EEG van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten, of op een gereglementeerde markt van een niet-Lid-Staat van de Europese Gemeenschap waarvan de wetgeving minstens in gelijkwaardige toelatingsvoorwaarden voorziet, wanneer die meerwaarden zijn verkregen of vastgesteld naar aanleiding van de lening van die aandelen.
  In dat geval worden meerwaarden of minderwaarden op de teruggegeven aandelen bepaald met inachtneming van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de beleende aandelen, eventueel verhoogd met de belaste meerwaarden of verminderd met de aangenomen minderwaarden, zowel voor, tijdens, als na de lening. Voor de toepassing van artikel 44, § 1, 2°, worden de teruggegeven aandelen geacht te zijn verkregen op de datum waarop de beleende aandelen zijn verkregen.) <W 1999-03-10/38, art. 46, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>

  Art. 46. (§ 1. Stopzettingsmeerwaarden als omschreven in artikel 28, eerste lid, 1°, worden volledig maar tijdelijk vrijgesteld :
  1° wanneer ofwel de onderneming, ofwel de beroepswerkzaamheid, ofwel één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid worden voortgezet door de echtgenoot of door één of meer erfgenamen of erfgerechtigden in de rechte lijn van de persoon die de onderneming, de beroepswerkzaamheid, de bedrijfsafdeling of de tak van werkzaamheid heeft gestaakt;
  2° wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld, ter gelegenheid van de inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen in een vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen;
  3° wanneer zij zijn verkregen of vastgesteld naar aanleiding van een inbreng in een landbouwvennootschap die geacht wordt geen rechtspersoonlijkheid te bezitten voor het belastbare tijdperk waarin de inbreng heeft plaatsgehad.
  (Het eerste lid, 2°, is niet van toepassing wanneer de verkrijger van de inbreng een door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen erkende vennootschap is met vast kapitaal voor belegging in onroerende goederen of in niet genoteerde aandelen.) <W 1997-04-16/35, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 02-06-1997>
  Het eerste lid, 2°, is slechts van toepassing voor zover :
  1° de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer van de vennootschap die de inbreng ontvangt, gelegen is in een lidstaat van de Europese Gemeenschappen;
  2° de verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
  Wanneer de verkrijger van de inbreng een vennootschap is, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen dan België, worden de ingebrachte goederen geacht een in artikel 229, § 1, vermelde Belgische inrichting te vormen van de vennootschap die de inbreng verkrijgt en daarin aangewend te blijven. Wanneer de aanwending eindigt, worden de overgedragen bestanddelen geacht te zijn verwezenlijkt.
  De toepassing van het eerste lid, 1° en 3°, laat evenwel onverlet de eventuele belastingheffing van de verwezenlijkte meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen van land- of tuinbouwondernemingen ingevolge artikel 90, 8°.
  Financiële vaste activa en andere effecten in portefeuille zijn geen bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid; zij worden slechts beschouwd als tot een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid te behoren indien zij normaal in de onderneming van die bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid zijn opgenomen zonder het hoofdbestanddeel daarvan te vormen.) <W 1992-07-28/30, art. 7; Inwerkingtreding : 27-03-1992>
  (Lid 7 opgeheven) <W 1998-12-22/36, art. 7, 043; Inwerkingtreding : 25-01-1999>
  § 2. De ten name van de nieuwe belastingplichtige in aanmerking te nemen afschrijvingen, investeringsaftrekken, minderwaarden of meerwaarden op de door de vroegere belastingplichtige afgestane activa worden bepaald alsof deze laatste niet van eigenaar waren veranderd, behoudens in de gevallen waarin toepassing is gemaakt van artikel 90, 8°.
  Het bepaalde in de artikelen 44, 45, 47, 48 en 361 tot 363 blijft van toepassing op de bij de vroegere belastingplichtige bestaande meerwaarden, waardeverminderingen, voorzieningen, onderwaarderingen, overwaarderingen, subsidies en vorderingen in zover die bestanddelen worden teruggevonden bij de nieuwe belastingplichtige.
  In de gevallen vermeld in artikel 47, kan de voortzetting of inbreng van werkzaamheid niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke herbeleggingstermijn wordt verlengd.
  Voor de toepassing van deze paragraaf op de in § 1, eerste lid, 3°, vermelde landbouwgemeenschappen omvat de uitdrukking "de nieuwe belastingplichtige" alle vennoten van zulke vennootschappen, met inbegrip van de tot de vennootschap toegelaten rechtverkrijgenden van overleden vennoten.
  § 3. Niettegenstaande de uit § 2 voortvloeiende overdracht van belastingheffing wordt ter bepaling van de meerwaarden of minderwaarden op aandelen die ter vergoeding van een in § 1, eerste lid, 2° en 3°, bepaalde inbreng zijn verkregen, aan de aandelen een waarde toegekend gelijk aan de waarde die de ingebrachte activa, uit fiscaal oogpunt, bij de vroegere belastingplichtige hadden.
  Ingeval de aandelen worden vervreemd, worden ze bij het bepalen van de krachtens artikel 44, § 1, 2°, eventueel vrijgestelde meerwaarde geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid te zijn gebruikt vanaf de datum waarop de ingebrachte activa daartoe werden gebruikt en wordt de gemiddelde gerevaloriseerde waarde van elk aandeel bepaald naar rata van de totale gerevaloriseerde waarde van die activa.

  Art. 47. § 1. Wanneer een bedrag gelijk aan de verkregen schadevergoeding of (de verkoopwaarde) wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld, worden de meerwaarden op immateriële en materiële vaste activa die niet zijn vrijgesteld ingevolge artikel 44, § 1, 2°, en § 2, en die zijn verwezenlijkt, <W 1998-12-22/36, art. 8, 1°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  1° naar aanleiding van een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, of
  2° (bij een niet in het 1° vermelde vervreemding van immateriële vaste activa waarop fiscaal afschrijvingen werden aangenomen of van materiële vaste activa en voor zover de vervreemde goederen sedert meer dan 5 jaar vóór hun vervreemding de aard van vaste activa hadden,) <W 1998-12-22/36, art. 8, 2°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  aangemerkt als winst of baten van het belastbare tijdperk waarin de herbelegde goederen zijn verkregen of tot stand gebracht en van ieder volgende belastbare tijdperk en zulks naar verhouding tot de afschrijvingen op die goederen die respectievelijk op het einde van het eerst vermelde belastbare tijdperk en voor elk volgende belastbare tijdperk in aanmerking worden genomen en, in voorkomend geval, tot het saldo op het ogenblik dat de goederen ophouden gebruikt te worden voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid.
  (Met materiële vaste activa worden gelijkgesteld, de terreinen en gebouwen die voorkomen onder de actiefpost beleggingen, overeenkomstig de wetgeving betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen.) <W 1998-12-22/36, art. 8, 3°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  § 2. De herbelegging moet gebeuren in afschrijfbare immateriële of materiële vaste activa die in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.
  § 3. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :
  1° van 3 jaar na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, voor meerwaarden vermeld in § 1, 1°;
  2° van 3 jaar vanaf de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de meerwaarden vermeld in § 1, 2°, zijn verwezenlijkt.
  § 4. Wanneer wordt herbelegd in een gebouwd onroerend goed, een vaartuig of een vliegtuig, wordt, in afwijking van § 3, 2°, de herbeleggingstermijn gebracht op 5 jaar vanaf de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt, of vanaf de eerste dag van het voorlaatste belastbare tijdperk dat de verwezenlijking van de meerwaarde voorafgaat.
  In afwijking van § 1 wordt in gevallen als vermeld in het eerste lid, de meerwaarde in het belastbare tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt als winst of baten aangemerkt naar verhouding tot het bedrag van de afschrijvingen op het door herbelegging verkregen goed die op het ogenblik van verwezenlijking van de meerwaarde reeds in aanmerking zijn genomen.
  § 5. Om het in § 1 vermelde belastingstelsel te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen, voor het aanslagjaar van de verwezenlijking van de meerwaarde en de erop volgende aanslagjaren tot wanneer de verwezenlijkte meerwaarde volledig belast is, een opgave voegen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
  § 6. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen gesteld in de §§ 2 tot 4 wordt de verwezenlijkte meerwaarde, of het gedeelte ervan dat nog niet is belast, aangemerkt als een inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is.

  D. VRIJGESTELDE WAARDEVERMINDERINGEN EN VOORZIENINGEN.

  Art. 48. Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, worden vrijgesteld de waardeverminderingen en de voorzieningen voor risico's en kosten die door ondernemingen worden geboekt om het hoofd te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn.

  Onderafdeling III. - Vaststelling van het netto-inkomen.

  A. BEROEPSKOSTEN.

  Art. 49. Als beroepskosten zijn aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
  Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt.

  Art. 50. § 1. De kosten waarvan het bedrag niet is verantwoord, mogen in overleg met de administratie op een vast bedrag worden bepaald. Indien geen akkoord wordt bereikt, taxeert de administratie die kosten op een redelijk bedrag.
  § 2. De Koning kan, ten aanzien van de categorieën belastingplichtigen die Hij aanwijst, bij een in Ministerraad overlegd besluit, met inachtneming van de omzet, de ontvangsten of de bezoldigingen, criteria en normen stellen om het hoogste aftrekbare bedrag te bepalen van beroepskosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd, met name representatiekosten, uitgaven voor onderhoudsprodukten, kleine kantoorkosten, bijdragen van sociale aard, kosten voor beroepskledij, linnen en wassen en uitgaven voor tijdschriften zonder faktuur.

  Art. 51. Met betrekking tot andere bezoldigingen en baten dan vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen of baten, worden de beroepskosten, (de in artikel 52, 7° en 8°, bedoelde bijdragen en sommen uitgezonderd), bij gebrek aan bewijzen forfaitair bepaald op percentages van het brutobedrag van die inkomsten, vooraf verminderd met voormelde bijdragen. <W 1994-07-06/33, art. 9, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  (Die percentages bedragen :
  1° voor bezoldigingen van werknemers :
  a) (25 pct.) van de eerste schijf van (3.750 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 2001-08-10/63, art. 7, 096; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  b) 10 pct. van de schijf van (3.750 EUR) tot (7.450 EUR);
  c) 5 pct. van de schijf van (7.450 EUR) tot (12.400 EUR);
  d) 3 pct. van de schijf boven (12.400 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° (voor bezoldigingen van bedrijfsleiders : 5 pct.); <KB 1996-12-20/40, art. 9, 1°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  3° (...) <KB 1996-12-20/40, art. 9, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>;
  4° voor baten : de in 1° vastgestelde percentages.
  In geen geval mag het forfait meer bedragen dan (2.500 EUR) voor het geheel van de inkomsten van éénzelfde categorie als vermeld in het tweede lid, 1° tot 4°.) <W 1994-07-06/33, art. 9, 2°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Met betrekking tot bezoldigingen van werknemers wordt het forfait, gelet op de uitzonderlijke kosten die voortvloeien uit de afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, verhoogd met een bedrag bepaald volgens een door de Koning vastgestelde schaal.

  Art. 52. Onder voorbehoud van het bepaalde (in de artikelen 53 tot 66bis) worden inzonderheid als beroepskosten aangemerkt : <W 2001-08-10/63, art. 8, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° de huur en de huurlasten (, evenals de onroerende voorheffing, met inbegrip van de opcentiemen) betreffende onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt en alle kosten wegens het onderhouden, verwarmen, verlichten daarvan, enz.; <W 1994-03-30/39, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  2° interest van aan derden ontleende en in de onderneming gebruikte kapitalen alsmede alle lasten, renten en soortgelijke uitkeringen betreffende die onderneming;
  3° de bezoldigingen van de personeelsleden, met inbegrip van de ermede verband houdende kosten bestaande uit :
  a) wettelijk verschuldigde sociale lasten en contractueel verplichte bijdragen inzake sociale verzekering of voorzorg;
  b) werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of overlijden;
  4° de bezoldigingen van de gezinsleden van de belastingplichtige die met hem samenwerken, buiten zijn echtgenoot;
  5° pensioenen, lijfrenten of tijdelijke renten en als zodanig geldende toelagen die ter uitvoering van een contractuele verbintenis worden toegekend aan gewezen personeelsleden of hun rechtverkrijgenden;
  6° afschrijvingen die betrekking hebben op oprichtingskosten en op immateriële en materiële vaste activa waarvan de gebruiksduur beperkt is;
  7° de persoonlijke bijdragen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een wettelijk of reglementair statuut dat de betrokkenen van het toepassingsgebied van de sociale wetgeving uitsluit;
  8° (de sommen die de belastingplichtige voor zichzelf, voor zijn echtgenoot en voor de gezinsleden te zijnen laste aan een bij koninklijk besluit erkend ziekenfonds bijdraagt in het kader van een aanvullende verzekering voor het verkrijgen van een tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige verstrekkingen die terugbetaalbaar zijn ingevolge de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, doch niet onder de toepassing vallen van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van diezelfde gecoördineerde wet tot de zelfstandigen wordt verruimd, tot het bedrag van de tegemoetkoming die ingevolge de voornoemde gecoördineerde wet kan worden verstrekt;) <W 1998-12-22/36, art. 9, 043; Inwerkingtreding : 25-01-1999>
  9° (...) <W 1992-12-28/32, art. 78; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  10° de bijdragen ter verkrijging van een vergoeding bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en invaliditeit;
  11° de door (bedrijfsleiders) werkelijk betaalde interest van schulden aangegaan bij derden voor (...) het verkrijgen van aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van een binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen waarvan zij in het belastbare tijdperk periodiek bezoldigingen ontvangen; behalve met betrekking tot instellingen als vermeld in artikel 56, worden niet als een derde aangemerkt, de voormelde vennootschap zelf, zomede elke onderneming ten aanzien waarvan die vennootschap zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt. <KB 1996-12-20/40, art. 10, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 1995-12-20/31, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 17-10-1995>

  Art. 53. Als beroepskosten worden niet aangemerkt :
  1° uitgaven van persoonlijke aard, zoals de huurprijs en de huurlasten van onroerende goederen of gedeelten daarvan die tot woning dienen, de onderhoudskosten van het gezin, de kosten van onderwijs of opvoeding en alle andere uitgaven die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid niet noodzakelijk zijn;
  2° de personenbelasting met inbegrip van de in mindering daarvan gestorte sommen, zomede de roerende voorheffing die de schuldenaar van het inkomen heeft gedragen tot ontlasting van de verkrijger;
  3° de aanvullende belastingen en de desbetreffende opcentiemen berekend naar de grondslag of het bedrag van de personenbelasting en de onroerende voorheffing, geheven ten voordele van de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten;
  4° (de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid); <W 1994-03-30/39, art. 5, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  5° verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot de personenbelasting en de voorheffingen (met uitzondering van de onroerende voorheffing, verhoogd met de opcentiemen, met betrekking tot het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of gedeelten daarvan die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt); <W 1994-03-30/39, art. 5, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  6° geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel 30;
  7° kosten voor kledij, tenzij het specifieke beroepskledij betreft,
  a) die door de reglementering op de arbeidsbescherming of door een collectieve arbeidsovereenkomst als werkkledij wordt opgelegd, of
  b) die als bijzondere kledij bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid wordt gedragen, daaraan is aangepast en wegens de aard van de beroepswerkzaamheid verplicht, noodzakelijk of gebruikelijk is,
  in beide gevallen met uitsluiting van kledij die in het privé-leven doorgaans als stads-, avond-, ceremonie-, reis- of vrijetijdskledij wordt aangemerkt of als zodanig dient;
  8° 50 pct. van de beroepsmatig gedane restaurant- en receptiekosten en van de kosten voor relatiegeschenken, met uitsluiting evenwel van :
  a) restaurantkosten van vertegenwoordigers van de voedingssector waarvan de belastingplichtige bewijst dat zij bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid noodzakelijk zijn in het kader van een mogelijke of werkelijke relatie van leverancier tot klant;
  b) reclameartikelen die opvallend en blijvend de benaming van de schenkende onderneming dragen;
  9° kosten van allerlei aard met betrekking tot jacht, visvangst, yachten of andere pleziervaartuigen en lusthuizen, behalve indien en in zover de belastingplichtige bewijst dat zij bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en uit hoofde van de eigen aard daarvan noodzakelijk zijn, of in de belastbare bezoldigingen van de begunstigde personeelsleden zijn begrepen;
  10° alle kosten in zover deze op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen;
  11° toekenningen aan derden ter vergoeding voor gedane kosten als vermeld in 7° tot 10°, in zover die kosten zelf niet als beroepskosten worden aangemerkt;
  12° bezoldigingen die de belastingplichtige toekent aan zijn echtgenoot die met hem samenwerkt;
  13° bezoldigingen van de andere gezinsleden van de belastingplichtige in zover zij meer bedragen dan een normale wedde of een normaal loon, gelet op de aard en de duur van de werkelijke prestaties van de verkrijgers;
  14° sociale voordelen die zijn toegekend aan werknemers, gewezen werknemers of hun rechtverkrijgenden en ten name van de verkrijgers zijn vrijgesteld ingevolge artikel 38, 11°;
  15° (verliezen van vennootschappen ten laste genomen door natuurlijke personen, behoudens indien het gaat om bedrijfsleiders die deze tenlasteneming verwezenlijken door de onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som voor het behoud van beroepsinkomsten welke die leiders periodiek uit de vennootschap verkrijgen en de aldus betaalde som door de vennootschap volledig wordt gebruikt voor de aanzuivering van haar verliezen;) <KB 1996-12-20/40, art. 11, 1°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  16° interest als vermeld in artikel 52, 11°, vanaf de datum waarop de (bedrijfsleider) zijn aandelen vervreemdt of vanaf de datum en in zover de vennootschap het maatschappelijk kapitaal terugbetaalt dat door die aandelen is vertegenwoordigd. <KB 1996-12-20/40, art. 11, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (17° de bijdragen die door de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, Senaat, de Raden en het Europees Parlement aan hun partij of aan een van de geledingen ervan worden gestort.) <W 1995-04-07/94, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  18° (onverminderd artikel 52, 11°, de interest van schulden aangegaan door een natuurlijk persoon voor het inschrijven op of het verwerven van aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van een vennootschap.) <KB 1996-12-20/40, art. 11, 3°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 54. <W 1992-07-28/30, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Interest, retributies voor de concessie van het gebruik van uitvindingsoctrooien, fabricageprocédés en andere dergelijke rechten, of bezoldigingen voor prestaties of diensten, worden niet als beroepskosten aangemerkt indien zij rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald of toegekend aan een in artikel 227 vermelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij gevestigd zijn, niet aan een inkomstenbelasting zijn onderworpen of voor zulke inkomsten aldaar aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling zijn onderworpen dan die waaraan die inkomsten in België zijn onderworpen, tenzij de belastingplichtige door alle rechtsmiddelen bewijst dat zij verband houden met werkelijke en oprechte verrichtingen en mits zij de normale grenzen niet overschrijden.

  Art. 55. (Interest van obligaties, leningen, schulden, deposito's en andere effecten ter vertegenwoordiging van leningen worden slechts als beroepskosten aangemerkt in zover zij niet hoger zijn dan een bedrag dat overeenstemt met de overeenkomstig de marktsrente geldende rentevoet rekening houdend met de bijzondere gegevens eigen aan de beoordeling van het aan de verrichting verbonden risico en inzonderheid met de financiële toestand van de schuldenaar en met de looptijd van de lening.) <W 1992-07-28/30, art. 9; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  De in aanmerking te nemen rentevoet is :
  1° ofwel die welke wordt toegepast op de dag waarop de geleende of in deposito ontvangen sommen inkomsten beginnen op te brengen, met dien verstande dat de verlenging en de stilzwijgende vernieuwing van een overeenkomst na de aanvankelijk gestelde termijn worden gelijkgesteld met het sluiten van een nieuwe overeenkomst;
  2° ofwel wanneer in de overeenkomst een veranderlijke rente of een indexering wordt bedongen, de rentevoet die wordt toegepast op de vervaldag van de inkomsten, of de voeten die eventueel achtereenvolgens zijn toegepast in het tijdvak waarop de inkomsten betrekking hebben, indien en in zover de contractuele bepalingen uitwerking hebben gehad.

  Art. 56. § 1. (Voor de toepassing van artikel 55 wordt geen beperking toegepast voor sommen betaald door de kredietinstellingen onderworpen aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen evenals door de Nationale Bank van België en het Herdisconterings- en Waarborginstituut.) <W 1998-12-22/36, art. 10, 1°, 043; Inwerkingtreding : 19-04-1993>
  § 2. Evenmin wordt enige beperking toegepast op de sommen die zijn betaald :
  1° op openbaar uitgegeven obligaties en andere soortgelijke effecten van leningen;
  2° aan een van de volgende instellingen :
  a) de in § 1 vermelde instellingen;
  b) (vennootschappen vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 64 van 10 november 1967 tot regeling van het statuut van de portefeuillemaatschappijen, vervangen bij artikel 7 van de wet van 20 januari 1978 tot organisatie van de associatie der holdings bij de economische planning en tot wijziging van het statuut der portefeuillemaatschappijen;) <W 1998-12-22/36, art. 10, 2°, 043; Inwerkingtreding : 19-04-1993>
  c) kapitalisatieondernemingen die onder het koninklijk besluit nr. 43 van 15 december 1934 vallen;
  d) (ondernemingen van hypothecaire leningen onderworpen aan het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen, zomede hypotheekondernemingen onderworpen aan de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;) <W 1998-12-22/36, art. 10, 3°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  e) vennootschappen die uitsluitend of hoofdzakelijk de financiering van verkopen op afbetaling ten doel hebben en (onder de toepassing vallen van de wet van 12 juni 1991); <W 1994-07-06/33, art. 10, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
  f) (...) <W 1998-12-22/36, art. 10, 4°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  g) (...) <W 1998-12-22/36, art. 10, 4°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  h) Belgische verzekeringsondernemingen die binnenlandse vennootschappen zijn en Belgische inrichtingen van buitenlandse verzekeringsondernemingen;
  i) de Nationale Investeringsmaatschappij en gewestelijke investeringsmaatschappijen die onder de wet van 2 april 1962 vallen;
  j) (...) <W 1998-12-22/36, art. 10, 5°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  k) Belgische inrichtingen van niet in a tot j vermelde openbare of private instellingen met rechtspersoonlijkheid, waarvan de werkzaamheid uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het toestaan van kredieten en leningen.

  Art. 57. De volgende kosten worden slechts als beroepskosten aangenomen wanneer ze worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave die worden overgelegd in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt :
  1° commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard die voor de verkrijgers beroepsinkomsten zijn;
  2° bezoldigingen, pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen, betaald aan personeelsleden, aan gewezen personeelsleden of aan hun rechtverkrijgenden, met uitzondering van de sociale voordelen die ten name van de verkrijgers zijn vrijgesteld;
  3° vaste vergoedingen toegekend aan de leden van het personeel als terugbetaling van werkelijke eigen kosten van de werkgever.

  Art. 58. In geval het toekennen van geheime commissielonen bevonden wordt tot de dagelijkse praktijk van ondernemingen te behoren, kan de Minister van Financiën op aanvraag van de belastingplichtige toestaan dat aldus toegekende sommen als beroepskosten worden aangemerkt, mits die commissielonen de normale grenzen niet overschrijden en de onderneming de desbetreffende belasting betaalt volgens een tarief dat de Minister forfaitair bepaalt en dat niet lager dan 20 pct. mag zijn.
  (Deze toestemming mag niet worden verleend voor het verwerven of behouden van overheidsopdrachten of van administratieve vergunningen.) <W 1999-02-10/39, art. 7, 046; Inwerkingtreding : 02-04-1999>

  Art. 59. (...) werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood worden als beroepskosten aangemerkt op voorwaarde dat ze definitief worden gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of instelling voor sociale voorzieningen en dat de wettelijke en extra-wettelijke toekenningen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, niet meer bedragen dan 80 pct. van de laatste normale bruto-jaarbezoldiging en worden berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid. Een indexering van de rente is toegelaten. <W 1992-12-28/32, art. 79, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling, inzonderheid wat de voorschotten op contacten en de inpandgevingen van contracten betreft.
  De beperking tot 80 pct. moet worden beoordeeld ten opzichte van het totale bedrag van de wettelijke pensioenen, van de op jaarbasis berekende extra-wettelijke pensioenen en van de pensioenen die met werkgevers- of persoonlijke bijdragen (als bedoeld in artikel 145.3) zijn gevormd of die door de werkgever ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn toegekend. De uitkeringen op grond van individuele levensverzekeringscontracten (en van pensioensparen) worden niet in aanmerking genomen. <W 1992-12-28/32, art. 79, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1994> <W 1994-07-06/33, art. 11, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  De werkgeversbijdragen worden alleen afgetrokken indien ze worden verantwoord door bewijsstukken die worden overgelegd in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt.

  Art. 60. Pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen worden slechts als beroepskosten aangemerkt op voorwaarde dat ze worden toegekend aan personen die vroeger bezoldigingen hebben genoten waarop de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers of van de zelfstandigen is toegepast, of aan de rechtverkrijgenden van die personen, in zover ze niet meer bedragen dan hetgeen door storting van bijdragen als bedoeld in artikel 59 zou zijn verkregen.

  Art. 61. Afschrijvingen worden als beroepskosten aangemerkt naar de mate dat ze gegrond zijn op de aanschaffings- of beleggingswaarde en voor zover ze noodzakelijk zijn en samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbare tijdperk werkelijk heeft voorgedaan.
  Onder aanschaffings- of beleggingswaarde wordt verstaan, volgens het geval, de aanschaffingsprijs, de vervaardigingsprijs, de inbrengwaarde of, met betrekking tot een recht van gebruik van materiële vaste activa waarover de onderneming bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of van opstal beschikt of met betrekking tot een gelijkaardig onroerend recht, het deel van de contractueel bepaalde termijnen dat overeenstemt met het weer samen te stellen kapitaal ter waarde van het goed waarop het contract of de overeenkomst betrekking heeft, met dien verstande dat deze begrippen de betekenis hebben die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.

  Art. 62. Het gedeelte van de aanschaffings- of beleggingswaarde dat overeenstemt met het totale bedrag van de bij de aankoop komende kosten of van de onrechtstreekse produktiekosten, en de oprichtingskosten mogen worden afgeschreven, of wel ineens tijdens het belastbare tijdperk waarin de kosten zijn gemaakt, ofwel bij gelijke fracties zonder onderbreking gespreid over het aantal jaren dat de belastingplichtige bepaalt.

  Art. 63. Met uitzondering van de investeringen in audiovisuele werken worden de immateriële vaste activa afgeschreven met vaste annuïteiten waarvan het aantal niet minder dan 3 mag bedragen wanneer het investeringen in onderzoek en ontwikkeling betreft en niet minder dan 5 in de andere gevallen.

  Art. 64. (De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden, binnen de grenzen en volgens de regels die Hij bepaalt, in een keuzestelsel van degressieve afschrijvingen voorzien.) <W 1994-07-06/33, art. 12, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  (De Koning bepaalt de vaste activa waarop de degressieve afschrijving van toepassing is.) <W 1994-07-06/33, art. 12, 2°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  (Het bedrag van de degressieve afschrijvingsannuïteit mag in geen geval meer bedragen dan 40 pct. van de aanschaffings- of beleggingswaarde.) <W 1992-12-28/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-1992>

  Art. 64bis. <Ingevoegd bij W 1993-07-22/30, art. 3; Inwerkingtreding : 05-08-1993> In de ontwikkelingszones van categorie 1, vermeld in artikel 11 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie, kan machtiging verleend worden om, in afwijking van de artikelen 61, eerste lid en 64, gedurende maximaal drie opeenvolgende belastbare tijdperken overeengekomen in het tegemoetkomingscontract, een jaarlijkse afschrijving toe te passen die gelijk is aan tweemaal de normale lineaire afschrijvingsannuïteit op investeringen in materiële vaste activa bestaande uit gebouwen, installaties, machines en uitrusting die zijn aangeschaft of vervaardigd overeenkomstig de in het kader van die wet aangemoedigde verrichting.
  Dezelfde machtiging kan onder de volgende voorwaarden eveneens verleend worden voor investeringen in materiële vaste activa van dezelfde aard die zijn aangeschaft of vervaardigd overeenkomstig een in het kader van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering aangemoedigde verrichting :
  1° de machtiging kan slechts verleend worden aan ondernemingen onderworpen aan de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, voor zover ze aan alle in die wet vermelde bepalingen voldoen;
  2° de machtiging kan slechts verleend worden ten voordele van de bedoelde vaste activa waarvoor een investeringstegemoetkoming, een rentetoelage of een kapitaalpremie is toegestaan voor een periode van drie jaar of meer en die nog niet in een of andere vorm versneld worden afgeschreven.
  Deze machtigingen worden verleend door de bevoegde Gewest Executieve of het lid dat erdoor is aangewezen.
  Zij worden geregeld in een beslissing tot aanwijzing van de belastbare tijdperken waarvoor de normale lineaire afschrijving mag worden verdubbeld en tot aanwijzing van de bedoelde vaste activa. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de administratie der directe belastingen die voor de uitvoering ervan zorgt.

  Art. 65. Met betrekking tot de andere dan uitsluitend voor bezoldigd vervoer van personen gebruikte personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, zoals deze zijn omschreven in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen, worden de in artikel 62 vermelde bedoelde bijkomende kosten evenwel op dezelfde wijze als de aanschaffings- of beleggingswaarde van die voertuigen afgeschreven.

  Art. 66. <W 1994-07-06/33, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Met uitzondering van de kosten van brandstof zijn beroepskosten met betrekking tot het gebruik van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, zoals deze zijn omschreven in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen, en op die voertuigen geleden minderwaarden, slechts tot 75 pct. aftrekbaar.
  § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing :
  1° op voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder en op grond daarvan van de verkeersbelasting op de autovoertuigen vrijgesteld zijn;
  2° op voertuigen die in erkende autorijscholen uitsluitend worden gebruikt voor praktisch onderricht en daartoe speciaal zijn uitgerust;
  3° op voertuigen die uitsluitend aan derden worden verhuurd.
  § 3. De in § 1 vermelde beroepkosten omvatten de kosten die zijn gedaan met betrekking tot de in § 2, 1° en 3°, vermelde voertuigen die toebehoren aan derden, zomede het bedrag van de in dit artikel vermelde kosten die aan derden worden terugbetaald.
  § 4. In afwijking van § 1 worden de beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling met een in die bepaling vermeld voertuig forfaitair op (0,15 EUR) per afgelegde kilometer bepaald. Deze afwijking geldt niet voor voertuigen die, overeenkomstig artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, van de verkeersbelasting zijn vrijgesteld. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 5. Het in § 4 vermelde forfaitair bedrag mag uitsluitend worden toegekend aan de belastingplichtige indien het betrokken voertuig :
  1° hetzij zijn eigendom is;
  2° hetzij op zijn naam is ingeschreven bij de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen;
  3° hetzij door een huur- of leasingovereenkomst bestendig of gewoonlijk te zijner beschikking is;
  4° hetzij aan zijn werkgever of vennootschap toebehoort en het eventueel voordeel voortspruitend uit het gebruik van dat voertuig op zijn naam wordt belast.
  In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° tot 3°, mag dat forfait worden toegekend aan de echtgenoot of aan een kind van de belastingplichtige indien die echtgenoot of dat kind het voertuig gebruikt voor de in § 4 vermelde verplaatsing, met dien verstande evenwel dat het forfait slechts aan één enkele belastingplichtige mag worden toegekend voor het gezamenlijk afgelegde traject.

  Art. 66bis. <Ingevoegd bij W 2001-08-10/63, art. 9; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die anders dan met een in artikel 66, § 5, vermeld voertuig wordt gedaan, worden, bij gebrek aan bewijzen, forfaitair bepaald op 0,15 EUR per afgelegde kilometer zonder dat de in aanmerking genomen afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling hoger dan 25 kilometer mag zijn.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de grens van 25 kilometer verhogen.

  B. ECONOMISCHE VRIJSTELLINGEN.

  1°. Wetenschappelijk onderzoek (en uitvoer). <W 1997-10-27/36, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 67. <W 1997-10-27/36, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 01-01-1997> § 1. Winst wordt vrijgesteld tot een bedrag van (10.000 EUR) per bijkomende aangeworven personeelseenheid die in België voltijds in een onderneming wordt tewerkgesteld voor : <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° het wetenschappelijk onderzoek;
  2° de uitbouw van het technologisch potentieel van de onderneming;
  3° een betrekking van diensthoofd voor de uitvoer;
  4° een betrekking van diensthoofd van de afdeling Integrale kwaliteitszorg.
  § 2. Winst wordt eveneens vrijgesteld tot een bedrag van (10.000 EUR) in geval van tewerkstelling voor een in § 1, 3° en 4°, vermelde betrekking van een personeelslid dat reeds voltijds de betrekking van diensthoofd in de onderneming uitoefende, op voorwaarde dat die onderneming zich ertoe verplicht uiterlijk binnen dertig dagen die volgen op de nieuwe tewerkstelling van het personeelslid, een nieuwe voltijdse werknemer aan te werven om de vrijgekomen betrekking in te nemen.
  § 3. Het in § 1 vermelde bedrag van (10.000 EUR) wordt verhoogd tot (20.000,00 EUR) indien de nieuw aangeworven persoon een hooggekwalificeerd onderzoeker is die in de onderneming in België voor wetenschappelijk onderzoek wordt tewerkgesteld. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 4. Wanneer een personeelslid niet meer voor het in § 1 bepaalde doel wordt tewerkgesteld, wordt het totale bedrag van de voorheen vrijgestelde winst verminderd ten belope van het vrijgestelde bedrag waarop deze persoon oorspronkelijk recht heeft gegeven.
  In dat geval wordt de winst of het verlies van het belastbare tijdperk waarin het personeel niet meer wordt tewerkgesteld, naargelang van het geval, vermeerderd of verminderd met dat bedrag.
  § 5. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de kwalificaties die de personeelsleden, bedoeld in § 3, moeten bezitten en de werkzaamheden die ze moeten uitoefenen om recht te geven op een vrijstelling op basis van dit artikel.
  Hij regelt eveneens de wijze van uitvoering van dit artikel.
  § 6. Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning de in de §§ 1 tot 3 vermelde bedragen verhogen.

  2°. Investeringsaftrek.

  Art. 68. Winst en baten worden vrijgesteld tot een deel van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht en van de nieuwe immateriële vaste activa, indien die vaste activa in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt. Deze vrijstelling wordt "investeringsaftrek" genoemd.

  Art. 69. <W 1992-07-28/30, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-1993> (§ 1.) De investeringsaftrek komt in mindering van de winst of de baten van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht en wordt als volgt bepaald : <W 1999-05-04/54, art. 3, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  1° als basispercentage van de aftrek geldt de percentsgewijs uitgedrukte stijging van het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk voor het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, waaraan het belastbare tijdperk is verbonden waarin de investering is verricht, ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van het eraan voorafgaande jaar, afgerond tot de hogere of lagere eenheid naargelang de breuk al dan niet 50 pct. bedraagt, en verhoogd met 1,5 percentpunten, maar het aldus verkregen percentage mag niet minder dan 3,5 pct. noch meer dan 10,5 pct. bedragen;
  2° (het basispercentage wordt verhoogd met 10 percentpunten wanneer het gaat om octrooien, vaste activa die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die geen effect hebben op het leefmilieu of die beogen het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken, of vaste activa die dienen voor een rationeler energieverbruik, voor de verbetering van de industriële processen uit energetische overwegingen en, in het bijzonder, voor de terugwinning van energie in de industrie.) <W 1995-12-20/31, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit het basispercentage verhogen.
  De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het tweede lid genomen besluiten.
  (§ 2. In afwijking van § 1, eerste lid, 1°, is de investeringsaftrek gelijk aan 3 %, wanneer het gaat om materiële vaste activa die uitsluitend bestemd zijn voor het verzekeren van het produktieproces van herbruikbare verpakkingen van dranken en nijverheidsprodukten, zoals vermeld in Boek III " Milieutaksen " van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur.
  Dit percentage is eveneens van toepassing op de materiële vaste activa die uitsluitend bestemd zijn voor het verzekeren van de terugname in de verkooppunten, de tussentijdse stockage, de verzending naar de afvuller of een distributiecentrale met het oog op de verdere sortering en reiniging en de sortering en reiniging met het oog op de terugzending naar de respectievelijke afvullers van de in eerste lid vermelde herbruikbare verpakkingen.
  De Koning bepaalt de wijze waarop de in het eerste en tweede lid vermelde investeringsaftrek moet worden toegepast, de verplichtingen die de belastingplichtigen moeten naleven om recht te hebben op het voordeel ervan, alsmede de kenmerken waaraan de vaste activa moeten voldoen om recht te geven op de aftrek en Hij bepaalt wat onder produktieproces moet worden verstaan.) <W 1999-05-04/54, art. 3, 056; ED : 01-01-1999>

  Art. 70. Belastingplichtigen die op de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht minder dan 20 werknemers tewerkstellen, kunnen desgewenst de investeringsaftrek over de afschrijvingsperiode van die activa spreiden; in dat geval wordt de aftrek eenvormig bepaald op het basispercentage verhoogd met 7 percentpunten en wordt hij berekend op de afschrijvingen die voor elk belastbaar tijdperk van die periode worden aangenomen.
  (In afwijking van het eerste lid wordt de aftrek eenvormig bepaald op het basispercentage verhoogd met 17 percentpunten, wanneer de over de afschrijvingsperiode van de activa te spreiden investeringsaftrek betrekking heeft op vaste activa die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die geen effect op het leefmilieu hebben of die het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk proberen te beperken. In dit geval mag de gespreide investeringsaftrek bovendien worden toegepast door belastingplichtigen die op de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht 20 of meer werknemers tewerkstellen.) <W 1997-04-16/35, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 71. <W 1994-07-06/33, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Indien bij de overdracht of bij de buitengebruikstelling van een vast activum het totaal van de overeenkomstig artikel 70 verrichte aftrekken lager is dan de aftrek die had kunnen worden toegepast overeenkomstig artikel 69, wordt een aanvullende aftrek tot het bedrag van dat verschil verleend.

  Art. 72. Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst of baten oplevert om de investeringsaftrek te kunnen verrichten, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst of baten van de volgende belastbare tijdperken.
  De aftrek van de overgedragen vrijstelling op de winst of baten van elk van de volgende belastbare tijdperken mag in geen geval per belastbaar tijdperk meer bedragen dan (620.000 EUR) of, wanneer het totale bedrag van de overgedragen vrijstelling op het einde van het vorig belastbare tijdperk (2.480.000 EUR) overtreft, 25 pct. van dat totale bedrag. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 73. De investeringsaftrek komt niet in aanmerking voor het bepalen van de latere meerwaarden of minderwaarden op de vaste activa waarvoor hij is verleend.

  Art. 74. Geen investeringsaftrek wordt verleend wanneer de winst of de baten worden bepaald volgens forfaitaire grondslagen van aanslagen waarin de afschrijvingen forfaitair zijn opgenomen, behalve indien het vaste activa betreft (als vermeld in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°), waarvoor van overheidswege geen financiële steun tot aanmoediging van energiebesparing is verleend. <W 1999-05-04/54, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Art. 75. De investeringsaftrek is evenmin van toepassing op :
  1° vaste activa die niet uitsluitend voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt;
  2° vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of opstal, of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, ingeval die vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen;
  3° (vaste activa indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze als vermeld sub 2° is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt.) <W 1992-12-28/32, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  4° vaste activa die niet afschrijfbaar zijn en vaste activa waarvan de afschrijving over minder dan 3 belastbare tijdperken is gespreid;
  5° personenauto's en auto's voor dubbel gebruik zoals deze omschreven zijn in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen, daaronder niet begrepen :
  a) voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder en op grond daarvan van de verkeersbelasting op de autovoertuigen vrijgesteld zijn;
  b) voertuigen die in erkende autorijscholen uitsluitend worden gebruikt voor praktisch onderricht en daartoe speciaal zijn uitgerust;
  6° bij de aankoopprijs komende kosten en onrechtstreekse produktiekosten wanneer die kosten niet samen met de vaste activa waarop zij betrekking hebben worden afgeschreven.

  Art. 76. De uitsluiting ingevolge artikel 75, 3°, is niet van toepassing op audiovisuele werken waarvan de distributierechten, met uitsluiting van alle andere rechten, tijdelijk worden overgedragen aan derden voor het uitzenden van deze werken in het buitenland.
  Onder de in het vorige lid vermelde audiovisuele werken worden verstaan werken die als Belgisch worden erkend en voldoen aan de vereisten gesteld bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1963 tot hulpverlening aan de Belgische filmnijverheid en waarvan de rechten door hun eigenaar voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt en die beantwoorden aan de volgende criteria :
  - een dramatische film, fictie- of animatiefilm, of een documentaire filmcreatie zijn, met uitsluiting van filmjournaals en reclamefilms;
  - ten minste 60 minuten duren in een enkele projectie of door de samenvoeging van de projectietijden van een reeks episodes die samen een homogeen werk vormen.

  Art. 77. De Koning bepaalt de wijze waarop de investeringsaftrek moet worden toegepast, de verplichtingen die de belastingplichtigen moeten naleven om recht te hebben op het voordeel ervan, alsmede de kenmerken waaraan (de octrooien en) de vaste activa moeten voldoen om recht te geven op de verhoogde aftrek (ingevolge artikel 69, § 1, eerste lid, 2°). <W 1995-12-20/31, art. 6, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <W 1999-05-04/54, art. 5, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  C. BEROEPSVERLIEZEN.

  Art. 78. Vorige beroepsverliezen worden achtereenvolgens van de beroepsinkomsten van elk volgend belastbare tijdperk afgetrokken.

  Art. 79. Beroepsverliezen worden niet afgetrokken van het gedeelte van de winst of de baten dat voortkomt uit abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt.

  Art. 80. Beroepsverliezen van burgerlijke vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid als vermeld in artikel 29, met uitzondering van de Europese economische samenwerkingsverbanden en de economische samenwerkingsverbanden, worden niet afgetrokken van de beroepsinkomsten van de vennoten of leden van die vennootschappen en verenigingen, tenzij en in zover die vennoten of leden winst of baten hebben en de daarop aan te rekenen beroepsverliezen uit een beroepswerkzaamheid van dezelfde aard voortspruiten (of tenzij de vennoten of leden bewijzen dat die beroepsverliezen voortspruiten uit verrichtingen die beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften). <W 1999-05-04/54, art. 6, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  D. AFTREKKEN VAN HET TOTALE BEROEPSINKOMEN.

  Art. 81. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 80; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 82. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 80; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 83. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 80; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 84. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 80; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 85. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 80; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Onderafdeling IV. - Toekenning en toerekening van een deel van de beroepsinkomsten aan de echtgenoot.

  Art. 86. (Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd ten laste van twee echtgenoten, mag een deel van de winst of de baten van de activiteit van een van hen, als meewerkinkomen worden toegekend aan de echtgenoot die de andere echtgenoot in het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid werkelijk helpt, voorzover de meewerkende echtgenoot uit hoofde van een afzonderlijke werkzaamheid tijdens het belastbare tijdperk zelf niet meer dan 8 700 EUR aan beroepsinkomsten heeft verkregen.) <W 2001-08-10/63, art. 10, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Dat deel moet overeenstemmen met de normale bezoldiging van de prestaties van de meewerkende echtgenoot, doch mag niet hoger zijn dan 30 pct. van de inkomsten van de beroepswerkzaamheid die met de hulp van de echtgenoot wordt uitgeoefend, behoudens indien de prestaties van de meewerkende echtgenoot hem kennelijk recht geven op een groter deel.

  Art. 87. (Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en slechts één van de echtgenoten beroepsinkomsten heeft verkregen, wordt een deel daarvan toegerekend aan de andere echtgenoot, behalve wanneer daardoor de aanslag wordt verhoogd.) <W 2001-08-10/63, art. 11, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Dat deel bedraagt 30 pct. van die inkomsten, doch mag niet hoger zijn dan (6.700 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 88. (Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd) en de beroepsinkomsten van één echtgenoot minder bedragen dan 30 pct. van het totale bedrag van de beroepsinkomsten van beide echtgenoten, wordt hem van de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot een zodanig deel toegerekend dat de som van zijn eigen beroepsinkomsten en het toegerekend deel 30 pct. van dat totale bedrag bereikt, doch niet hoger is dan (6.700 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 2001-08-10/63, art. 12, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (Deze bepaling wordt niet toegepast wanneer daardoor de aanslag wordt verhoogd.) <W 2001-08-10/63, art. 12, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 89. Voor het toekennen en het toerekenen van een deel van de beroepsinkomsten aan de echtgenoot, worden de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast buiten beschouwing gelaten.
  (Wanneer de beroepsinkomsten van een van de echtgenoten vallen onder twee of meer in artikel 23 bedoelde categorieën en een deel van die beroepsinkomsten wordt toegekend of toegerekend aan de andere echtgenoot, wordt dat deel evenredig samengesteld uit beroepsinkomsten van dezelfde categorieën.) <W 2001-08-10/63, art. 13, 097; ED : 01-01-2005>

  Afdeling V. - Diverse inkomsten.

  Onderafdeling I. - Bepaling.

  Art. 90. Diverse inkomsten zijn :
  1° (onverminderd het bepaalde in 8°, 9° en 10°), winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen; <KB 1996-12-20/40, art. 13, 1°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  2° prijzen en gedurende twee jaar ontvangen subsidies, voor de schijf boven (2.500 EUR), en andere subsidies, renten of pensioenen die door Belgische of vreemde openbare machten of openbare instellingen zonder winstoogmerken zijn toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars, met uitzondering van de sommen die zijn betaald of toegekend als bezoldiging van bewezen diensten en beroepsinkomsten zijn. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de prijzen en subsidies vrij die zijn toegekend door de instellingen die Hij erkent;
  3° uitkeringen die aan de belastingplichtige regelmatig zijn toegekend door personen van wier gezin hij geen deel uitmaakt, wanneer ze worden toegekend ter uitvoering van een verplichting op grond van de artikelen 203, 203bis, 205, 205bis, 206, 207, 213, 221, 223, 301, 303, 306, 307, 307bis, 308, 311bis, 334, 336, 339bis, 364, 370, 475bis of 475quinquies van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1258, 1271, 1280, 1288 of 1306 van het Gerechtelijk Wetboek, zomede kapitalen die zulke uitkeringen vervangen;
  4° uitkeringen of aanvullende uitkeringen als vermeld onder 3° die, ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd, aan de belastingplichtige zijn betaald na het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben;
  5° inkomsten verkregen, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, uit de onderverhuring of de overdracht van huur van al dan niet gemeubileerde onroerende goederen of uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is en niet is gelegen binnen de omheining van een sportinrichting te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen;
  6° loten van effecten van leningen, met uitzondering van de loten die van elke Belgische zakelijke en personele belasting of van elke belasting zijn vrijgesteld;
  7° opbrengsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht;
  8° meerwaarden op in België gelegen ongebouwde onroerende goederen of op andere zakelijke rechten dan een recht van erfpacht of van opstal of dan een gelijkaardig onroerend recht met betrekking tot zulke onroerende goederen die naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel zijn verwezenlijkt, ingeval :
  a) die goederen onder bezwarende titel zijn verkregen en zijn vervreemd binnen acht jaar na de datum van de authentieke akte waarbij de verkrijging is vastgesteld of, bij gebrek aan authentieke akte, na de datum waarop enigerlei andere akte of geschrift waarbij de verkrijging is vastgesteld, aan de registratieformaliteit is onderworpen;
  b) die goederen bij schenking onder levenden zijn verkregen en zijn vervreemd binnen drie jaar na de akte van schenking en binnen acht jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging onder bezwarende titel door de schenker of, bij gebrek aan authentieke akte, na de datum waarop enigerlei andere akte of geschrift waarbij de verkrijging onder bezwarende titel door de schenker is vastgesteld, aan de registratieformaliteit is onderworpen;
  9° meerwaarden op aandelen die rechten in een binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen en die naar aanleiding van de overdracht onder bezwarende titel van die aandelen aan een in artikel 227, 2° of 3°, vermelde rechtspersoon buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid zijn verwezenlijkt, indien de overdrager, of zijn rechtsvoorganger ingeval de aandelen niet onder bezwarende titel zijn verkregen, op enig tijdstip in de loop van vijf jaar voor de overdracht, alleen of samen met zijn (echtgenoot) of zijn afstammelingen, zijn ascendenten, zijn zijverwanten tot en met de tweede graad en die van zijn echtgenoot, middellijk of onmiddellijk meer dan 25 pct. heeft bezeten van de rechten in de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen. <W 2001-08-10/63, art. 14, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (10° meerwaarden die naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel zijn verwezenlijkt op in België gelegen gebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen, met uitzondering van het recht van erfpacht, het recht van opstal of een gelijkaardig onroerend recht, ingeval :
  a) die gebouwde onroerende goederen onder bezwarende titel zijn verkregen en binnen vijf jaar na de datum van verkrijging zijn vervreemd;
  b) die gebouwde onroerende goederen zijn verkregen bij schenking onder levenden en zijn vervreemd binnen drie jaar na de akte van schenking en binnen vijf jaar na de datum van verkrijging onder bezwarende titel door de schenker;
  c) de belastingplichtige een gebouw heeft opgetrokken op een ongebouwd onroerend goed dat hij onder bezwarende titel of bij schenking onder levenden heeft verkregen, voor zover de bouwwerken een aanvang hebben genomen binnen de vijf jaar na de verkrijging van de grond onder bezwarende titel door de belastingplichtige of door de schenker en het geheel binnen de vijf jaar na de datum van de eerste ingebruikname of verhuring van het gebouw werd vervreemd.
  Onder datum van verkrijging of vervreemding moet worden verstaan :
  - de datum van de authentieke akte van verkrijging of van vervreemding;
  - of, bij gebrek aan authentieke akte, de datum waarop enigerlei andere akte of geschrift waarbij de verkrijging of de vervreemding is vastgesteld, aan de registratieformaliteit is onderworpen.) <KB 1996-12-20/40, art. 13, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 91. <KB 1996-12-20/40, art. 14, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997> In afwijking van artikel 90, 10°, is artikel 90, 8°, van toepassing op de meerwaarden verwezenlijkt op gronden waarop gebouwen zijn opgetrokken waarvan de verkoopwaarde lager is dan 30 pct. van de verkoopprijs van het geheel.

  Art. 92. (Opgeheven) <KB 1996-12-20/40, art. 15, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 93. In afwijking van artikel 90, 8°, zijn niet belastbaar, de meerwaarden vastgesteld ter gelegenheid van :
  1° ruilingen bij vrijwillige of wettelijke ruilverkaveling van landeigendommen die kosteloos aan de registratieformaliteit zijn onderworpen;
  2° ruilingen van ongebouwde landeigen- dommen die ingevolge artikel 72 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten van het evenredig recht zijn vrijgesteld;
  3° (een overdracht onder bezwarende titel van goederen die toebehoren :
  a) aan al dan niet ontvoogde minderjarigen of aan onbekwaamverklaarden ingeval de Familieraad of een gerechtelijke instantie daartoe machtiging heeft gegeven;
  b) aan personen aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd overeenkomstig de artikelen 488bis, a tot 488bis, k, van het Burgerlijk Wetboek, krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter;) <W 1999-05-04/54, art. 7, 056; Inwerkingtreding : 22-06-1999>
  4° onteigeningen of overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte, wanneer die overdrachten overeenkomstig artikel 161 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten kosteloos aan de registratieformaliteit zijn onderworpen.

  Art. 93bis. <Ingevoegd bij KB 1996-12-20/40, art. 16; Inwerkingtreding : 01-01-1997> In afwijking van artikel 90, 10°, zijn niet belastbaar, de meerwaarden vastgesteld ter gelegenheid van :
  1° een overdracht onder bezwarende titel van de woning waarvoor, met toepassing van artikel 16, de woningaftrek kan worden toegestaan voor het ganse tijdperk dat begrepen is tussen 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan dat waarin de vervreemding heeft plaatsgevonden en de datum van vervreemding;
  2° (een overdracht onder bezwarende titel van goederen die toebehoren :
  a) aan al dan niet ontvoogde minderjarigen of aan onbekwaamverklaarden ingeval de Familieraad of een gerechtelijke instantie daartoe machtiging heeft gegeven;
  b) aan personen aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd overeenkomstig de artikelen 488bis, a tot 488bis, k, van het Burgerlijk Wetboek, krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter;) <W 1999-05-04/54, art. 8, 056; Inwerkingtreding : 22-06-1999>
  3° onteigeningen of overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte, wanneer die overdrachten overeenkomstig artikel 161 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten kosteloos aan de registratieformaliteit zijn onderworpen.

  Art. 94. Wanneer in het tijdvak van 12 maanden die voorafgaan aan de verwerving van de aandelen door een in artikel 227, 2° of 3°, vermelde rechtspersonen, één of meer overdrachten tussen andere belastingplichtigen hebben plaatsgevonden, zijn de in artikel 90, 9°, vermelde meerwaarden die bij iedere overdracht in dat tijdvak zijn verwezenlijkt, belastbaar indien bij de eerste overdrager was voldaan aan de voorwaarde met betrekking tot de belangrijkheid van de maatschappelijke rechten in de vennootschap waarvan de aandelen vervreemd zijn geweest.

  Art. 95. De in artikel 90, 9°, vermelde meerwaarden zijn niet belastbaar bij ruiling van aandelen in vennootschappen die een fusie aangaan, die zich splitsen of een andere rechtsvorm aannemen, tegen aandelen in de overnemende, verkrijgende of uit de omzetting ontstane vennootschappen.

  Art. 96. Op aandelen die naar aanleiding van een fusie, splitsing of omzetting van vennootschappen in ruil zijn ontvangen, worden de artikelen 90, 9°, 94 en 95 toegepast alsof de ruiling niet had plaatsgevonden.

  Onderafdeling II. - Vaststelling van het netto-inkomen.

  Art. 97. De in artikel 90, 1°, vermelde inkomsten worden naar het nettobedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het brutobedrag verminderd met de kosten waarvan de belastingplichtige het bewijs levert dat zij tijdens het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden.

  Art. 98. <W 1997-10-27/36, art. 4, 035; Inwerkingtreding : 01-01-1997> De in artikel 90, 2°, vermelde inkomsten worden in aanmerking genomen naar het aan de verkrijger werkelijk betaalde of toegekende bedrag, in voorkomend geval verhoogd met de bedrijfsvoorheffing en verlaagd met de door de verkrijger gestorte giften aan een in artikel 104, 3°, a en b, vermelde instelling op voorwaarde dat zij blijken uit een kwijtschrift van de begiftigde.
  De in artikel 90, 5° tot 7°, vermelde inkomsten worden in aanmerking genomen naar het aan de verkrijger werkelijk betaalde of toegekende bedrag, in voorkomend geval verhoogd met de roerende voorheffing.

  Art. 99. De in artikel 90, 3° en 4°, vermelde uitkeringen of kapitalen worden in aanmerking genomen tot 80 pct. van het aan de verkrijger betaalde of toegekende bedrag.

  Art. 100. De in artikel 90, 5°, vermelde inkomsten worden in aanmerking genomen :
  1° met betrekking tot de onderverhuring of de overdracht van huur van onroerende goederen, naar het verschil tussen de volgende twee grootheden :
  a) het totale bedrag van de door de huurder of overdrager verkregen huurprijs en andere huurvoordelen en van de huurwaarde van de lokalen die hij zelf betrekt;
  b) het totale bedrag van de door de huurder of overdrager betaalde huurprijs en huurlasten en van de kosten die hij verantwoordt in het belastbare tijdperk te hebben gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden;
  2° met betrekking tot de concessie van het recht om plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen, naar het verschil tussen de volgende twee grootheden :
  a) het totale bedrag van de door de overdrager verkregen bedragen en voordelen;
  b) het totale bedrag van de kosten die de overdrager verantwoordt tijdens het belastbare tijdperk te hebben gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden; bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden die kosten forfaitair vastgesteld op 5 pct. van de verkregen bedragen en voordelen.
  In beide gevallen worden de voordelen die ineens worden verkregen of de kosten die ineens worden gedaan over de gehele duur van het huurcontract of van de concessie verdeeld.

  Art. 101. § 1. De in artikel 90, 8°, vermelde meerwaarden worden in aanmerking genomen naar het verschil tussen de volgende twee grootheden :
  1° de prijs waartegen het goed is overgedragen of, indien die hoger is, de verkoopwaarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, met dien verstande dat die prijs of verkoopwaarde in voorkomend geval wordt verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt te hebben gedaan of gedragen voor de vervreemding van het goed;
  2° de prijs waartegen het goed onder bezwarende titel is verkregen door de belastingplichtige of de schenker, naargelang het goed is vervreemd in de omstandigheden als omschreven in artikel 90, 8°, a of b, of, indien die hoger is, de verkoopwaarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, met dien verstande dat de verkrijgingsprijs :
  a) wordt vermeerderd met de kosten van verkrijging of overgang en de uitgaven die bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens op 25 pct. van de verkrijgingsprijs worden bepaald en de aldus vermeerderde prijs wordt verhoogd met 5 pct. voor elk jaar dat is verlopen tussen de data waarop het goed respectievelijk is verkregen en de vervreemding ervan is vastgesteld;
  b) in voorkomend geval wordt verminderd met de vergoeding verkregen ter uitvoering van de wetgeving houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw.
  (§ 2. De in artikel 90, 10°, vermelde meerwaarden worden in aanmerking genomen naar het verschil tussen de volgende twee grootheden :
  1° de prijs waartegen het goed is overgedragen of, indien die hoger is, de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend, met dien verstande dat die prijs of die waarde in voorkomend geval wordt verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt te hebben gedaan of gedragen voor de vervreemding van het goed;
  2° de verkrijgingsprijs van het goed, vermeerderd met 25 pct., of met de werkelijk gedragen kosten van verkrijging of van overgang wanneer deze meer bedragen dan 25 pct., met dien verstande dat onder verkrijgingsprijs moet worden verstaan :
  a) voor de toepassing van artikel 90, 10°, eerste lid, a : de prijs waarvoor het goed door de belastingplichtige werd verkregen, of, indien die hoger is, de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend;
  b) voor de toepassing van artikel 90, 10°, eerste lid, b : de prijs waarvoor het goed door de schenker werd verkregen, of, indien die hoger is, de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend;
  c) voor de toepassing van artikel 90, 10°, eerste lid, c : de prijs waarvoor de grond door de belastingplichtige of door de schenker onder bezwarende titel werd verkregen, of, indien die hoger is, de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht heeft gediend, vermeerderd met de prijs van het door de belastingplichtige opgetrokken gebouw die tot maatstaf van heffing van de BTW heeft gediend.
  De aldus vermeerderde verkrijgingsprijs wordt verhoogd met 5 pct.
  voor elk jaar dat is verlopen tussen de datum van verkrijging en die van de vervreemding, met dien verstande dat in het geval vermeld in het eerste lid, c, de verhoging van 5 pct. van toepassing is, eensdeels, op de verkrijgingsprijs van de grond, per verlopen jaar tussen de datum van verkrijging van de grond onder bezwarende titel en de datum van vervreemding van het geheel, en, anderdeels, op de bouwprijs van het gebouw, per verlopen jaar tussen de datum van de eerste ingebruikname of verhuring van het gebouw, en de datum van de vervreemding van het geheel.
  De aldus vastgestelde verkrijgingsprijs wordt vervolgens :
  a) verhoogd met de kosten van werken, die door de eigenaar zijn gedragen en verantwoord zijn door middel van een factuur, in zoverre die werken aan het vervreemde gebouw zijn uitgevoerd, tussen de datum van verkrijging, van eerste ingebruikname of van verhuring, en die van de vervreemding, door een persoon die, op het ogenblik van het afsluiten van het ondernemingscontract overeenkomstig artikel 401 als aannemer is geregistreerd;
  b) in voorkomend geval verminderd met de vergoedingen verkregen ingevolge schade aan het vervreemde gebouw.) <KB 1996-12-20/40, art. 17, 1°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (§ 3.) Voor zakelijke rechten met betrekking tot onroerende goederen voor goederen die zijn verkregen of overgedragen tegen betaling van een lijfrente of van een tijdelijke rente, voor goederen die zijn ontvangen of overgedragen ingevolge ruiling, verdeling, inbreng in vennootschap, ontbinding van een vennootschap of een andere soortgelijke gebeurtenis, stelt de Koning met inachtneming van (het bepaalde in de §§ 1 en 2) regels voor de vaststelling van de belastbare meerwaarden. <KB 1996-12-20/40, art. 17, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 102. De in artikel 90, 9°, vermelde meerwaarden worden in aanmerking genomen naar het verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm voor de overgedragen aandelen ontvangen prijs en de prijs waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger die aandelen onder bezwarende titel heeft verkregen; deze prijs wordt eventueel gerevaloriseerd (overeenkomstig artikel 2, 7°). <W 2001-08-10/63, art. 15, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Onderafdeling III. - Aftrekbare verliezen.

  Art. 103. § 1. Verliezen die in de vijf vorige belastbare tijdperken zijn geleden bij het verrichten van handelingen als vermeld in artikel 90, 1°, worden alleen van de inkomsten uit zulke handelingen afgetrokken.
  De verliezen worden achtereenvolgens afgetrokken van de inkomsten van elk volgende belastbare tijdperk.
  § 2. het bepaalde in § 1 geldt eveneens voor verliezen die in de vijf vorige belastbare tijdperken zijn geleden naar aanleiding van verrichtingen als vermeld in artikel 90, 8°.
  (§ 3. Het bepaalde in § 1 geldt eveneens voor verliezen die in de vijf vorige belastbare tijdperken zijn geleden naar aanleiding van verrichtingen als vermeld in artikel 90, 10°.) <KB 1996-12-20/40, art. 18, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Afdeling VI. - Aftrekbare bestendigen.

  A. ALGEMEEN.

  Art. 104. Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de (artikelen 107 tot 116), worden van het totale netto-inkomen de volgende bestedingen afgetrokken, in zover zij in het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald : <W 1992-12-28/32, art. 81, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  1° 80 pct. van de uitkeringen die de belastingplichtige regelmatig heeft betaald aan personen die niet deel uitmaken van zijn gezin, wanneer ze zijn betaald ter uitvoering van een verplichting op grond van de artikelen 203, 203bis, 205, 205bis, 206, 207, 213, 221, 223, 301, 303, 306, 307, 307bis, 308, 311bis, 334, 336, 339bis, 364, 370, 475bis of 475quinquies van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1258, 1271, 1280, 1288 of 1306 van het Gerechtelijk Wetboek, zomede 80 pct. van de kapitalen die zulke uitkeringen vervangen;
  (Evenwel zijn de uitkeringen betaald voor de kinderen voor welke de toepassing van artikel 132bis werd gevraagd, niet aftrekbaar.) <W 1999-05-04/42, art. 2, 1°, 055; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  2° 80 pct. van de uitkeringen of de aanvullende uitkeringen die de belastingplichtige verschuldigd is volgens de voorwaarden bepaald in 1°, doch die na het belastbare tijdperk waarop zij betrekking hebben betaald worden ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd;
  (Evenwel zijn de uitkeringen betaald voor de kinderen voor welke voor een vorig aanslagjaar de toepassing van artikel 132bis werd gevraagd, niet aftrekbaar.) <W 1999-05-04/42, art. 2, 2°, 055; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  3° giften in geld :
  a) aan Belgische universiteiten of universitaire centra, aan instellingen die met universiteiten zijn gelijkgesteld krachtens de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, (...); <W 1994-07-06/33, art. 16, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  b) aan koninklijke academiën, aan het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, (...), zomede aan instellingen voor wetenschappelijk onderzoek die erkend zijn door de Minister van Financiën en door de Minister tot wiens bevoegdheid het beleid en de programmatie inzake wetenschap behoren(, uitgezonderd de instellingen die rechtstreeks verbonden zijn met een politieke partij of lijst); <W 1998-12-22/36, art. 11, 1°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <W 1998-06-12/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  c) aan openbare centra voor maatschappelijk welzijn (...); <W 1994-07-06/33, art. 16, 2°, 004; Inwerkingtreding : 26-07-1994>
  d) aan culturele instellingen waarvan het invloedsgebied één van de gemeenschappen of het gehele land bestrijkt en die door de Koning erkend zijn (...); <W 1998-12-22/36, art. 11, 2°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  e) aan instellingen die de oorlogsslachtoffers, de minder-validen, de bejaarden, de beschermde minderjarigen of de behoeftigen bijstaan en die, na advies van de raadgevende instellingen van de Staat of van de Gemeenschappen tot wiens bevoegdheid die bijstand behoort, worden erkend door de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen waaronder die instellingen ressorteren en, voor de toepassing van de belastingwet, door de Minister van Financiën;
  f) (aan het Rode Kruis van België, aan de Koning Boudewijnstichting en aan het Europees Centrum voor Vermiste en Seksueel Uitgebuite Kinderen - België - Stichting naar Belgisch recht;) <W 1999-03-01/41, art. 2, 048; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  g) aan de Nationale Kas voor Rampenschade ten bate van het Nationaal Fonds voor Algemene Rampen of van het Nationaal Fonds voor Landbouwrampen, aan de provinciale rampenfondsen, evenals aan instellingen voor hulpverlening aan slachtoffers van rampen die de toepassing rechtvaardigen van de wet betreffende het herstel van schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen, en die hiertoe zijn erkend door de Minister van Financiën;
  h) aan beschutte werkplaatsen die, ter uitvoering van de wetgeving betreffende de sociale reclassering van de minder-validen, opgericht of erkend zijn door de Executieve of door de bevoegde instelling;
  (i) aan instellingen die zich bezighouden met het natuurbehoud of de bescherming van het leefmilieu en die als dusdanig erkend zijn door de Minister van Financiën en de Minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort.) <W 1996-04-02/43, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 14-06-1996>
  (j) aan instellingen die het behoud of de zorg voor monumenten en landschappen ten doel hebben, waarvan het invloedsgebied het gehele land, één van de gewesten of de Duitstalige Gemeenschap bestrijkt en die door de Koning erkend zijn;) <W 1998-12-22/36, art. 11, 3°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (j) aan VZW's waarvan het doel erin bestaat dierenasielen te beheren, die de erkenning hebben gekregen bedoeld in artikel 5 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren en die voldoen aan de voorwaarden door de Koning vastgesteld op voorstel van de minister van Financiën.) <W 1999-04-21/39, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  4° giften in geld aan instellingen voor hulpverlening aan ontwikkelingslanden die als dusdanig erkend zijn door de Minister van Financiën en door de Minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort;
  (4°bis giften in geld aan door de Minister van Financiën en door de Minister van Buitenlandse Zaken erkende verenigingen en instellingen die hulp verlenen aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen;) <W 1995-02-22/37, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 10-04-1995>
  (4°ter giften voorzien in artikel 10, 1°, van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis;) <W 1999-12-03/30, art. 11, 065; Inwerkingtreding : 11-12-1999>
  5° giften aan Rijksmusea en, op voorwaarde dat de giften voor hun musea worden bestemd, giften aan Gemeenschappen en Gewesten, provincies, gemeenten en de (...) openbare centra voor maatschappelijk welzijn : <W 1994-07-06/33, art. 16, 3°, 004; Inwerkingtreding : 26-07-1994>
  a) ofwel in geld;
  b) (ofwel in de vorm van kunstwerken waarvan de Minister van Financiën overeenkomstig artikel 111 erkent dat zij behoren tot het roerend cultureel erfgoed van het land of dat zij internationale faam genieten); <W 2001-06-21/37, art. 4, 084; ED : 10-09-2003>
  6° 50 pct. van de bezoldigingen betaald of toegekend aan een huisbediende met inbegrip van de op die bezoldigingen verschuldigde wettelijke sociale bijdragen;
  7° (uitgaven) voor de oppas van één of meer kinderen ten laste van de belastingplichtige; <W 2001-03-23/36, art. 2, 082; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  8° de helft tot ten hoogste ((25.000 EUR)) van het niet door subsidies gedekte gedeelte van de uitgaven die de eigenaar van niet verhuurde gebouwde onroerende goederen, delen van ongebouwde onroerende goederen of landschappen die zijn beschermd overeenkomstig de wetgeving op het behoud van Monumenten en Landschappen, heeft gedaan voor het onderhoud en de restauratie ervan, v oor zover die onroerende goederen, delen van onroerende goederen of landschappen, voor het publiek toegankelijk zijn; de Koning bepaalt de wijze van uitvoering van deze bepaling en inzonderheid wat, voor de toepassing van de belastingwet, wordt verstaan onder "voor het publiek toegankelijk zijn"; <W 1997-06-04/38, art. 2, 028; Inwerkingtreding : 09-08-1997> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  9° interest van hypothecaire leningen die vanaf 1 mei 1986 zijn gesloten met een looptijd van ten minste tien jaar;
  10° (...) <W 1992-12-28/32, art. 81, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  11° (...) <W 1994-07-06/33, art. 16, 4°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (Lid 2 opgeheven) <W 1994-07-06/33, art. 16, 4°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Art. 105. <W 2001-08-10/63, art. 16, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de aftrekken vermeld in artikel 104, 3° tot 9°, eerst evenredig aangerekend op de totale netto-inkomens van beide belastingplichtigen. De in 1° en 2° van dat artikel vermelde aftrekken worden vervolgens bij voorrang aangerekend op het totale netto-inkomen van de belastingplichtige die de uitgaven verschuldigd is en het eventuele saldo wordt op het totale netto-inkomen van de andere belastingplichtige aangerekend.

  Art. 106. De Koning bepaalt de wijze waarop de uitgaven van de verschillende inkomstencategorieën worden afgetrokken.

  B. GIFTEN.

  Art. 107. De in (artikel 104), 3° tot 5°, vermelde giften worden afgetrokken op voorwaarde dat zij ten minste 1000 frank bedragen en blijken uit een kwijtschrift van de begiftigde. <W 1994-07-06/33, art. 85, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Art. 108. <W 1998-12-22/36, art. 12, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1999> De Koning bepaalt de verplichtingen en de formaliteiten die de begiftigden moeten vervullen opdat de giften voor aftrek in aanmerking kunnen komen.

  Art. 109. Het totale bedrag (van de giften dat aftrekbaar is (van het totale netto-inkomen) mag het bedrag van de giften dat overeenkomstig artikel 98, eerste lid, werd afgetrokken niet bevatten en mag niet hoger zijn) dan 10 pct. van het totale netto-inkomen, noch hoger dan (250.000 EUR). <W 1997-10-27/36, art. 5, 035; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 2001-08-10/63, art. 17, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 110. <W 1995-02-22/37, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 10-04-1995> De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze waarop de (in artikel 104, 3°, b, d, e, g, i, j, 4° en 4°bis), vermelde verenigingen en instellingen worden erkend. <W 1998-12-22/36, art. 13, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 111. <W 2001-06-21/37, art. 5, 085; Inwerkingtreding : 10-09-2003> De Minister van Financiën erkent dat de kunstwerken bedoeld in artikel 104, 5°, b), behoren tot het roerend cultureel erfgoed van het land of dat zij internationale faam genieten en stelt hun geldwaarde vast. De aftrek wordt verleend tot de aldus vastgestelde geldwaarde.
  De bijzondere commissie bedoeld in artikel 83-4 van het Wetboek der successierechten geeft de Minister van Financiën een bindend advies over :
  1° de vraag of de aangeboden kunstwerken tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren of internationale faam genieten;
  2° de ontvankelijkheid van de schenking;
  3° de geldwaarde van het aangeboden kunstwerk.
  De kosten van de schatting worden voorgeschoten door de belastingplichtige.
  De erkenning door de Minister van Financiën en de vastgestelde geldwaarde bedoeld in het eerste lid, gelden voor een termijn van zes maanden vanaf de kennisgeving van die erkenning en die geldwaarde, bij een ter post aangetekende brief, aan de belastingplichtige.
  De kosten van de schatting van het kunstwerk worden aan de belastingplichtige terugbetaald zodra hij het bewijs heeft geleverd dat de schenking binnen de in het voorgaande lid gestelde termijn is verricht.
  De Koning stelt de nadere regels vast betreffende het voorschot en de terugbetaling van de schattingskosten.

  C. BEZOLDIGINGEN VAN EEN HUISBEDIENDE.

  Art. 112. § 1. De in (artikel 104), 6°, vermelde bezoldigingen van een huisbediende zijn aftrekbaar onder de volgende voorwaarden : <W 1994-07-06/33, art. 85, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  1° de bezoldigingen bedragen ten minste (2.450 EUR) per belastbaar tijdperk en zijn aan het stelsel van de sociale zekerheid onderworpen; <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° (de in dienst getreden huisbediende voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit nr. 483 van 22 december 1986 tot vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgevers bij de indienstneming van dienstboden;) <W 2000-08-12/62, art. 173, 075; Inwerkingtreding : onbepaald>
  3° bij de indienstneming laat de belastingplichtige zich bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als werkgever van huispersoneel inschrijven en de inschrijving is de eerste in die hoedanigheid sinds 1 januari 1980;
  4° voor aftrek komen alleen de bezoldigingen van één huisbediende in aanmerking;
  5° het bedrag van de aftrek is per belastbaar tijdperk niet hoger dan (5.000 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; ED : 01-01-2002>
  § 2. De in § 1, 2° en 3°, bepaalde voorwaarden zijn niet van toepassing ingeval de belastingplichtige op 1 juli 1986 reeds sedert ten minste één jaar een huisbediende in dienst had.
  § 3. Na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst wordt de aftrek van de bezoldigingen van een huisbediende die voldoet aan de in § 1, 2°, gestelde voorwaarde verder toegestaan ingeval de belastingplichtige binnen 3 maanden een andere huisbediende in dienst neemt die aan dezelfde voorwaarden voldoet.

  D. KINDEROPPAS.

  Art. 113. § 1. De in (artikel 104), 7°, vermelde uitgaven voor kinderoppas zijn aftrekbaar onder de volgende voorwaarden : <W 1994-07-06/33, art. 85, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  1° de uitgaven zijn gedaan voor kinderen die de leeftijd van drie jaar niet hebben bereikt;
  2° de belastingplichtige verkrijgt beroepsinkomsten;
  3° de uitgaven zijn betaald aan instellingen die erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd worden (door Kind en Gezin, door het Office de la naissance et de l'enfance of door de executieve van de Duitstalige gemeenschap), of aan zelfstandige onthaalgezinnen of aan kinderdagverblijven die onder toezicht staan van de voormelde instellingen; <W 1994-07-06/33, art. 18, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  4° de echtheid en het bedrag van de uitgaven worden verantwoord door bewijsstukken die bij de aangifte zijn gevoegd.
  § 2. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit het hoogst aftrekbare bedrag per oppasdag en per kind bepalen, welk bedrag niet lager dan (4 EUR) mag zijn. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 114. De aftrek voor kinderoppas kan niet samengaan met de verhoging van de belastingvrije som ingevolge artikel 132, eerste lid, 6°.

  E. INTEREST VAN HYPOTHECAIRE LENINGEN.

  Art. 115. De in (artikel 104), 9°, vermelde interest van hypothecaire leningen is aftrekbaar onder de volgende voorwaarden : <W 1994-07-06/33, art. 85, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  1° de hypothecaire lening is door de belastingplichtige aangegaan om in België zijn enige woning hetzij :
  a) te bouwen;
  b) in nieuwe staat te verwerven aan welke voorwaarde is voldaan indien de woning (door de verkoper met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde aan de belastingplichtige is vervreemd); <W 1992-12-28/32, art. 83; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  c) volledig of gedeeltelijk te vernieuwen, mits het goed bij het sluiten van het leningscontract (sedert ten minste 15 jaar) in gebruik is genomen; <W 1995-12-20/31, art. 7, 014; Inwerkingtreding : 01-11-1995>
  2° met betrekking tot een woning die volledig of gedeeltelijk wordt vernieuwd :
  a) bedraagt de totale kostprijs van de werken, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde, ten minste (19.800 EUR), met dien verstande dat, in geval het overeenkomstig artikel 116 berekende gedeelte van de lening hoger is dan de totale kostprijs van de werken, dat gedeelte tot het bedrag van de kostprijs in aanmerking wordt genomen, en <KB 2001-07-13/50, art. 2, 089; ED : 01-01-2001 - (Van toepassing op de leningen die zijn aangegaan vanaf 1 januari 2001 en voor zover ze geen leningen vervangen die vóór die datum zijn afgesloten.)>
  b) worden de dienstverrichtingen met betrekking tot die werken, waarvan de Koning de aard bepaalt, verricht door een persoon die op het ogenblik van het sluiten van het ondernemingscontract als aannemer is geregistreerd overeenkomstig artikel 401.

  Art. 116. (De interest die overblijft na toepassing van de in artikel 14 vermelde aftrek is maar aftrekbaar in zoverre hij betrekking heeft op de eerste (50.000 EUR), (52.500 EUR), (55.000 EUR), (60.000 EUR) of (65.000 EUR) van het aanvangsbedrag van de leningen ingeval het een te bouwen of in nieuwe staat te verwerven woning betreft of op de eerste (25.000 EUR), (26.250 EUR), (27.500 EUR), (30.000 EUR) of (32.500 EUR) ingeval het een te vernieuwen woning betreft, naargelang de belastingplichtige geen, één, twee, drie of meer dan drie kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar na dat waarin het leningscontract is gesloten.) <W 1992-12-28/32, art. 84; Inwerkingtreding : 01-01-1993> <KB 2001-07-13/50, art. 2, 089; Inwerkingtreding : 01-01-2001 - (Van toepassing op de leningen die zijn aangegaan vanaf 1 januari 2001 en voor zover ze geen leningen vervangen die vóór die datum zijn afgesloten.)>
  De aftrek wordt gespreid over ten hoogste twaalf opeenvolgende belastbare tijdperken waarvan de inkomsten het kadastraal inkomen van de woning omvatten, tot een bedrag dat voor de eerste vijf belastbare tijdperken gelijk is aan 80 pct. en voor elk van de zeven volgende belastbare tijdperken gelijk is aan respectievelijk 70, 60, 50, 40, 30, 20 en 10 pct. (...). <W 1992-07-28/30, art. 13, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1992>

  F. PENSIOENSPAREN.

  Art. 117. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 85; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 118. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 85; ED : 01-01-1993>

  Art. 119. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 85; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 120. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 85; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 121. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 85; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 122. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 85; ED : 01-01-1993>

  Art. 123. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 85; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 124. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 85; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 125. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 85; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Afdeling VII. <W 2001-08-10/63, art. 18, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> - Gemeenschappelijke aanslag voor echtgenoten en wettelijke samenwonenden.

  Art. 126. <W 2001-08-10/63, art. 19, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002> (§ 1. In geval van huwelijk of wettelijke samenwoning wordt een gemeenschappelijke aanslag op naam van de beide echtgenoten gevestigd. Deze gemeenschappelijke aanslag belet niet dat het belastbare inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld.) <W 2001-08-10/63, art. 19, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (§ 2. In de volgende gevallen is § 1 niet van toepassing :
  1° voor het jaar van het huwelijk of de verklaring van wettelijke samenwoning;
  2° vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, voor zover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt;
  3° voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed of van de beëindiging van de wettelijke samenwoning;
  4° wanneer een echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 6 700 EUR die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op zijn andere inkomsten.
  Voor het jaar waarin de wettelijk samenwonenden met elkaar in het huwelijk treden, blijft § 1 echter van toepassing tenzij de verklaring van wettelijke samenwoning tijdens hetzelfde jaar is afgelegd.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, worden de twee aanslagen op naam van beide echtgenoten ingekohierd.) <W 2001-08-10/63, art. 19, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 3. Voor het jaar van ontbinding van het huwelijk of de wettelijke samenwoning door overlijden, kan de overlevende echtgenoot, (...) kiezen voor een aanslag gevestigd overeenkomstig de bepalingen van § 1. In dat geval wordt de aanslag gevestigd op naam van de overlevende en de overleden echtgenoot, vertegenwoordigd door de nalatenschap. <W 2001-08-10/63, art. 19, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Wanneer beide echtgenoten zijn overleden, kan de keuze bedoeld in het eerste lid, worden gemaakt door de erfgenamen of de algemene legatarissen of begiftigden. De aanslag wordt in dat geval gevestigd op naam van de beide overleden echtgenoten, vertegenwoordigd door de nalatenschap.
  § 4. Inkomsten van kinderen worden bij de inkomsten van hun ouders gevoegd zolang de ouders het wettelijk genot daarvan hebben.

  Art. 127. <W 2001-08-10/63, art. 20, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt bij de vaststelling van het totale netto-inkomen van elke belastingplichtige rekening gehouden met :
  1° het deel van zijn beroepsinkomsten zoals bepaald na toepassing van de artikelen 86 tot 89;
  2° de door hem behaalde of aan hem toegekende inkomsten vermeld in artikel 90, 1° tot 4°;
  3° de niet in 1° en 2° vermelde inkomsten die eigen zijn op grond van het vermogensrecht;
  4° 50 pct. van de totaliteit van alle andere inkomsten van beide belastingplichtigen.

  Art. 128. (Opgeheven) <W 2001-08-10/63, art. 21, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 129. Wanneer de inkomsten van een echtgenoot onvoldoende zijn om de overeenkomstig de artikelen 23, § 2, 2° en 3° en 103, aftrekbare verliezen erop aan te zuiveren, wordt het saldo aangerekend op de inkomsten van de andere echtgenoot met inachtneming van de in die artikelen gestelde beperkingen.
  De Koning bepaalt de wijze waarop de aanrekening gebeurt.

  HOOFDSTUK III. - Berekening van de belasting.

  Afdeling I. - Gewoon stelsel van aanslag.

  Onderafdeling I. - Belastingtarief.

  Art. 130. <W 2001-08-10/63, art. 22, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> De belasting wordt bepaald op :
  25 pct. voor de inkomensschijf van 0,01 EUR tot 5 705,00 EUR;
  30 pct. voor de schijf van 5 705,00 EUR tot 8 120,00 EUR;
  40 pct. voor de schijf van 8 120,00 EUR tot 13 530,00 EUR;
  45 pct. voor de schijf van 13 530,00 EUR tot 24 800,00 EUR;
  50 pct. voor de schijf boven 24 800,00 EUR.
  Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt het belastingtarief toegepast op het belastbare inkomen van elke belastingplichtige.

  Onderafdeling II. - Belastingvrije som.

  Art. 131. <W 2001-08-10/63, art. 23, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Voor de berekening van de belasting wordt een basisbedrag van 4 095 EUR vrijgesteld van belasting.
  Dit bedrag wordt verhoogd met 870 EUR indien de belastingplichtige gehandicapt is.

  Art. 132. (Het bedrag dat krachtens artikel 131 wordt vrijgesteld, wordt verhoogd met de volgende toeslagen voor personen ten laste :) <W 2001-08-10/63, art. 24, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  1° voor een kind : (870 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° voor twee kinderen : (2.240 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° voor drie kinderen : (5.020 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  4° voor vier kinderen : (8.120 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  5° voor meer dan vier kinderen : (8.120 EUR) plus (3.100 EUR) per kind boven het vierde; <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  6° (een bijkomende toeslag van (326 EUR)) voor ieder kind dat de leeftijd van 3 jaar niet heeft bereikt op 1 januari van het aanslagjaar, met dien verstande dat deze toeslag niet kan samengaan met de in (artikel 104), 7°, vermelde aftrek voor kinderoppas; <W 1994-07-06/33, art. 85, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <W 1999-12-24/34, art. ,1 0066; Inwerkingtreding : 10-01-2000> <KB 2001-07-13/50, art. 43, 091; ED : 01-01-2002>
  7° voor iedere andere persoon ten laste : (870 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Voor de toepassing van het eerste lid worden als gehandicapt aangemerkte kinderen (en andere personen ten laste) voor twee gerekend. <W 2001-08-10/63, art. 24, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 132bis. <Ingevoegd bij W 1999-05-04/42, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2000> Wanneer de vader en de moeder van een of meer kinderen ten laste, recht gevende op de toeslagen vermeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 5°, geen deel uitmaken van hetzelfde gezin, maar gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over hun gemeenschappelijke kinderen en er het gezamenlijke hoederecht over hebben, worden de in voormeld artikel bedoelde toeslagen waarop die kinderen recht geven, verdeeld over de beide ouders, op voorwaarde dat zij daartoe gezamenlijk een schriftelijke aanvraag indienen die bij hun aangifte van de inkomstenbelastingen dient te worden gevoegd.
  In dat geval worden de toeslagen waarop de gemeenschappelijke kinderen recht geven, en die vastgesteld worden ongeacht of er al of niet andere kinderen zijn in het gezin waarvan zij deel uitmaken, voor de helft toegekend aan de ouder bij wie de gemeenschappelijke kinderen hun fiscale woonplaats niet hebben, en wordt het totaal van de toeslagen waarop de andere ouder recht heeft, met eenzelfde bedrag verminderd.
  De in het eerste lid genoemde aanvraag geldt slechts voor één aanslagjaar; ze kan niet worden herroepen.

  Art. 133. <W 2001-08-10/63, art. 25, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Het bedrag dat krachtens artikel 131 wordt vrijgesteld, wordt bovendien met de volgende toeslagen verhoogd :
  1° 870 EUR voor een belastingplichtige die alleen wordt belast en die één of meer kinderen ten laste heeft;
  2° 870 EUR wanneer voor het jaar van huwelijk of verklaring van de wettelijke samenwoning een aanslag per belastingplichtige wordt gevestigd en voor zover de echtgenoot tijdens het jaar geen bestaansmiddelen heeft gehad die meer dan 1.500 EUR netto bedragen.

  Art. 134. <W 2001-08-10/63, art. 25, 095; Inwerkingtreding : 01-01-2003> (§ 1. De belastingvrije som wordt per belastingplichtige vastgesteld als het totaal van het, eventueel verhoogde, basisbedrag en de toeslagen vermeld in de artikelen 132 en 133.
  Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de toeslagen vermeld in artikel 132 aangerekend bij die belastingplichtige met het hoogste belastbare inkomen. Wanneer het belastbare inkomen van één van beide belastingplichtigen lager is dan zijn belastingvrije som, wordt het saldo bij de belastingvrije som van de andere belastingplichtige gevoegd.) <W 2001-08-10/63, art. 26, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 2. De belastingvrije som wordt per belastingplichtige aangerekend op de opeenvolgende inkomensschijven, te beginnen met de eerste.
  § 3. Het deel van de belastingvrije som dat na toepassing van de §§ 1 en 2 niet is aangerekend, wordt, in de mate dat het betrekking heeft op de toeslagen vermeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet.
  Het belastingkrediet is gelijk aan het deel van de belastingvrije som dat met toepassing van het eerste lid kan worden omgezet, vermenigvuldigd met het tarief van de corresponderende inkomensschijf, met een maximum van 250 EUR per kind ten laste.

  Art. 135. Als gehandicapt wordt aangemerkt :
  1° diegene van wie, ongeacht de leeftijd, is vastgesteld dat ingevolge feiten overkomen en vastgesteld voor de leeftijd van 65 jaar :
  - ofwel zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
  - ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan, of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten tot gevolg heeft, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten;
  - (ofwel na de periode van primaire ongeschiktheid, bepaald in artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, zijn verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 100 van dezelfde gecoördineerde wet;) <W 1998-12-22/36, art. 14, 043; Inwerkingtreding : 25-01-1999>
  - ofwel hij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, tot ten minste 66 pct. blijvend lichamelijk of geestelijk gehandicapt of arbeidsongeschikt is verklaard;
  2° het kind dat tot ten minste 66 pct. is getroffen door ontoereikende of verminderde lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen.
  De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wijst, voor de toepassing van de belastingwet, de overheden aan die de toestand als gehandicapte vaststellen.

  Art. 136. Als ten laste van (de belastingplichtigen) worden aangemerkt, mits zij deel uitmaken van hun gezin op 1 januari van het aanslagjaar en zij persoonlijk in het belastbare tijdperk geen bestaansmiddelen hebben gehad die meer dan (1.500 EUR) netto bedragen : <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 2001-08-10/63, art. 27, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  1° hun kinderen;
  2° hun ascendenten;
  3° hun zijverwanten tot en met de tweede graad;
  4° personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest.

  Art. 137. De kinderen van wie alle belastbare inkomsten worden samengevoegd met die van hun ouders, worden ten laste van deze laatsten beschouwd, ongeacht de omvang van hun inkomsten.

  Art. 138. Een in het belastbare tijdperk overleden kind wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat het reeds voor het overige aanslagjaar te zijnen laste was of het tijdens het belastbare tijdperk geboren en overleden is.

  Art. 139. Ingeval een persoon als vermeld in artikel 136, 2° tot 4°, in het belastbare tijdperk is overleden, wordt hij geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat hij reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was.

  Art. 140. Wanneer verscheidene afzonderlijk belastbare belastingplichtigen deel uitmaken van hetzelfde gezin, worden de in artikel 136 vermelde personen die eveneens van dat gezin deel uitmaken, beschouwd als ten laste van de belastingplichtige die in feite aan het hoofd van dat gezin staat.
  Wanneer het samengetelde nettobedrag der bestaansmiddelen van die belastingplichtige en van de personen te zijnen laste lager is dan zoveel maal (1.500 EUR) als het gezin personen ten laste plus één telt, mag die belastingplichtige ervan afzien als te zijnen laste te beschouwen de personen waarvoor hij over geen (1.500 EUR) bestaansmiddelen beschikt en worden die personen alsdan beschouwd als ten laste van diegene van de andere van het gezin deel uitmakende belastingplichtigen die het meeste tot hun onderhoud bijdraagt. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 141. <W 2001-08-10/63, art. 28, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De in de artikelen 136 en 140 vermelde bedragen van 1 500 EUR worden gebracht op 2.600 EUR voor kinderen ten laste van een belastingplichtige die alleen wordt belast en op 3 000 EUR voor kinderen ten laste van een dergelijke belastingplichtige die als gehandicapt worden aangemerkt.

  Art. 142. Onder nettobedrag van de bestaansmiddelen wordt verstaan het brutobedrag daarvan verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt gedurende het belastbare tijdperk te hebben gedaan of gedragen om die middelen te verkrijgen of te behouden.
  Bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden de aftrekbare kosten vastgesteld op 20 pct. van het brutobedrag van de bestaansmiddelen. Wanneer die bestaansmiddelen bestaan in bezoldigingen van werknemers of in baten, bedragen de aftrekbare kosten ten minste (250 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 143. Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen komen niet in aanmerking :
  1° (wettelijke kinderbijslagen, kraamgelden en adoptiepremies, evenals studiebeurzen en premies voor het voorhuwelijkssparen); <W 1994-07-06/33, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  2° tegemoetkomingen die ten laste van de Schatkist worden toegekend aan gehandicapten;
  3° (...) <W 1998-12-22/36, art. 15, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  4° bezoldigingen verkregen door in artikel 135, bedoelde gehandicapten ingevolge tewerkstelling in een erkende beschutte werkplaats;
  5° uitkeringen of aanvullende uitkeringen tot onderhoud die ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing, waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd, aan de belastingplichtige zijn betaald na het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben.
  (6° de uitkeringen vermeld in artikel 90, 3°, die zijn toegekend aan kinderen tot beloop van 1 800 EUR per jaar.) <W 2001-08-10/63, art. 29, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 144. Om uit te maken of een aan de zorgen van de belastingplichtige toevertrouwd kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is, worden bijdragen van de overheid in de onderhoudskosten van dat kind niet meegerekend.

  Art. 145. Als ten laste worden niet aangemerkt de personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige en bezoldigingen genieten die voor deze laatste beroepskosten zijn.

  Onderafdeling IIbis. - Vermindering voor het lange termijnsparen. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  A. Algemeen.

  Art. 145.1. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald (in de artikelen 145.2. tot 145.16bis.) wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald : <W 1999-01-25/32, art. 205, 1°, 045; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
  1° als persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en die door de werkgever op de bezoldigingen zijn ingehouden;
  2° als bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief in België heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden;
  3° (als betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen;) <W 2000-05-17/33, art. 4, 068; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  4° als betalingen in geld voor aandelen waarop de belastingplichtige als werknemer heeft ingeschreven en die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de binnenlandse vennootschap die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap - werkgeefster in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen onweerlegbaar wordt geacht een dochter- of kleindochteronderneming te zijn;
  5° als betalingen voor het pensioensparen.
  (6° als bijdragen voor het vrij pensioen van meewerkende echtgenoot van een zelfstandige.) <W 1999-01-25/32, art. 205, 2°, 045; Inwerkingtreding : 01-04-1999>

  Art. 145.2. <W 2001-08-10/63, art. 30, 095; Inwerkingtreding : 01-01-2003> De vermindering wordt berekend tegen een bijzondere gemiddelde aanslagvoet die overeenstemt met de belasting die op het belastbare inkomen, daaronder niet begrepen de inkomsten die ingevolge artikel 171 afzonderlijk worden belast, wordt berekend overeenkomstig de artikelen 127, 130, 131, eerste lid en 134, § 2.
  De aldus berekende aanslagvoet mag niet minder dan 30 pct., noch meer dan 40 pct. bedragen.

  B. Persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood.

  Art. 145.3. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De in artikel 145.1., 1°, vermelde persoonlijke bijdragen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat ze definitief zijn gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of instelling voor sociale voorzieningen en dat de wettelijke en extra-wettelijke toekenningen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, niet meer bedragen dan 80 pct. van de laatste normale bruto-jaarbezoldiging en worden berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid. Een indexering van de rente is toegelaten.
  De grens van 80 pct. wordt overeenkomstig artikel 59, derde lid, beoordeeld.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling, inzonderheid wat de voorschotten op contracten en de inpandgevingen van contracten betreft.

  C. Premies van individuele levensverzekeringen.

  Art. 145.4. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De in artikel 145.1., 2°, vermelde bijdragen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat :
  1° het levensverzekeringscontract is aangegaan :
  a) door de belastingplichtige die daarbij alleen zichzelf heeft verzekerd;
  b) vóór de leeftijd van 65 jaar (...); contracten die tot na de oorspronkelijk bepaalde termijn verlengd, opnieuw van kracht gemaakt, gewijzigd of verhoogd worden wanneer de verzekerde de leeftijd van 65 (...) jaar heeft bereikt, worden geacht niet vóór die leeftijd te zijn aangegaan; <W 2001-08-10/63, art. 31, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  c) voor een minimumlooptijd van 10 jaar wanneer het in voordelen bij leven voorziet;
  2° de voordelen van het contract bedongen zijn :
  a) bij leven, ten gunste van de belastingplichtige vanaf de leeftijd van 65 jaar (...); <W 2001-08-10/63, art. 31, 095; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  b) bij overlijden, ten gunste van de echtgenoot of van bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige.

  D. Aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen.

  Art. 145.5. <W 2000-05-17/33, art. 5, 068; Inwerkingtreding : 01-01-2000> De in artikel 1451, 3°, vermelde betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypotheeklening komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat de lening is aangegaan :
  1° bij een instelling die in de Europese Unie is gevestigd;
  2° voor een looptijd van ten minste 10 jaar.

  Art. 145.6. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De bijdragen en betalingen als vermeld in artikel 145.1., 2° en 3°, komen voor vermindering in aanmerking voor zover die uitgaven niet meer bedragen dan 15 pct. van de eerste schijf van (1.250,00 EUR) van het totale beroepsinkomen en 6 pct. van het overige, met een maximum van (1.500 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Bovendien komen betalingen als vermeld in artikel 145.1., 3°, slechts voor vermindering in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van (50.000 EUR) van het aanvangsbedrag van de voor die woning aangegane leningen. <KB 2001-07-13/50, art. 2, 089; Inwerkingtreding : 01-01-2001 - (Van toepassing op de leningen die zijn aangegaan vanaf 1 januari 2001 en voor zover ze geen leningen vervangen die vóór die datum zijn afgesloten.)>
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze waarop de vermindering ingevolge artikel 145.1., 2° en 3°, wordt toegepast.

  E. Verwerving van werkgeversaandelen.

  Art. 145.7. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De in artikel 145.1., 4°, vermelde betalingen in geld voor aandelen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat de belastingplichtige :
  1° tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting van het belastbare tijdperk waarin de betaling is gedaan, de stukken overlegt waaruit blijkt dat hij de aandelen heeft aangeschaft en deze op het einde van dat tijdperk nog in zijn bezit heeft;
  2° voor hetzelfde belastbare tijdperk geen enkele vermindering geniet voor het pensioensparen.
  De vermindering wordt slechts behouden op voorwaarde dat de belastingplichtige tot staving van zijn aangiften in de personenbelasting van de volgende vijf belastbare tijdperken het bewijs levert dat hij de betrokken aandelen nog in zijn bezit heeft.
  Aan de voorwaarde vermeld in het tweede lid moet niet worden voldaan met ingang van het belastbare tijdperk waarin de werknemer-aandeelhouder is overleden.
  De betalingen voor aandelen komen voor vermindering in aanmerking tot een bedrag van (500 EUR) per belastbaar tijdperk. De Koning kan dit bedrag bij een in Ministerraad overlegd besluit tot ten hoogste (1.000 EUR) verhogen. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  F. Betalingen voor het pensioensparen.

  Art. 145.8. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De bedragen die ingevolge artikel 145.1., 5°, in het kader van het pensioensparen in aanmerking komen voor vermindering, zijn die welke in België definitief worden betaald :
  1° ofwel voor het aanleggen van een collectieve spaarrekening;
  2° ofwel voor het aanleggen van een individuele spaarrekening;
  3° ofwel als premie van een spaarverzekering.
  Het bedrag dat voor vermindering in aanmerking komt is beperkt tot (500,00 EUR) per belastbaar tijdperk. Elke echtgenoot is gerechtigd op de vermindering indien hij persoonlijk houder is van een spaarrekening of een spaarverzekering. Het voormelde bedrag kan bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit tot ten hoogste (1.000 EUR) worden verhoogd. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De betalingen in een belastbaar tijdperk mogen slechts worden verricht voor één enkele collectieve spaarrekening of één enkele individuele spaarrekening of één enkele spaarverzekering.

  Art. 145.9. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De betalingen komen slechts voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat :
  1° de collectieve spaarrekening of de individuele spaarrekening is geopend of de spaarverzekering is aangegaan :
  a) door een rijksinwoner vanaf de leeftijd van 18 jaar en vóór de leeftijd van 65 jaar;
  b) voor een looptijd van ten minste 10 jaar;
  2° de voordelen bij het aangaan van het contract bedongen zijn :
  a) bij leven, ten bate van de belastingplichtige zelf;
  b) bij overlijden, ten bate van de echtgenoot of van de bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige;
  3° de belastingplichtige tot staving van zijn aangifte een attest voorlegt waarvan de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde het model vastlegt.
  De vermindering wordt niet meer verleend met ingang van het belastbare tijdperk waarin de spaartegoeden, kapitalen of afkoopwaarden zijn uitgekeerd die afzonderlijk belastbaar zijn ingevolge artikel 171, 2°, e, behoudens indien de uitkering het gevolg is van het overlijden van de belastingplichtige, of waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft.

  Art. 145.10. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De in artikel 145.15. vermelde instellingen en ondernemingen mogen, naar het geval, per belastingplichtige slechts één enkele collectieve of één enkele (individuele) spaarrekening openen of slechts één enkele spaarverzekering afsluiten. Zij mogen geen betalingen in ontvangst nemen die hoger zijn dan het in artikel 145.8., tweede lid, vastgestelde maximumbedrag. Deze instellingen en ondernemingen stellen de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde in kennis : <W 1994-07-06/33, art. 20, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  1° van het openen van een spaarrekening of het aangaan van een spaarverzekering;
  2° van het jaarbedrag van de betalingen van elke houder.
  (De in het eerste lid bedoelde kennisgeving geschiedt in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaald.) <W 1994-07-06/33, art. 20, 2°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Art. 145.11. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> (De beheersvennootschap van de ingevolge artikel 145.16. erkende pensioenspaarfondsen) belegt de activa van dat fonds en de inkomsten van die activa, na aftrek van de kosten, uitsluitend op de volgende wijze : <W 1994-07-06/33, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  1° voor ten minste 30 pct. in aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van vennootschappen naar Belgisch recht vertegenwoordigen;
  2° in obligaties (in Belgische frank of in euro) uitgegeven of onvoorwaardelijk gewaarborgd, in hoofdsom en in interest, door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en andere openbare lichamen of instellingen; <KB 2000-07-20/64, art. 4, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° in obligaties of kasbons (in Belgische frank of in euro), met een looptijd van meer dan één jaar, uitgegeven door Belgische publiek- of privaatrechtelijke vennootschappen of in gelddeposito's in Belgische frank met een looptijd van meer dan één jaar; <KB 2000-07-20/64, art. 4, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  4° in vastgoedcertificaten of in hypothecaire leningen met betrekking tot in België gelegen onroerende goederen;
  5° tot ten hoogste 10 pct. in buitenlandse op een Belgische beurs genoteerde effecten of rechten van deelneming van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen die erkend zijn door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen;
  6° tot ten hoogste 10 pct. in tegoeden op rekening (in Belgische frank of in euro) bij één van de instellingen of ondernemingen die zijn vermeld in artikel 145.15., eerste lid. <KB 2000-07-20/64, art. 4, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De voorgeschreven percentages worden berekend op de dag waarop de beleggingen worden gedaan.

  Art. 145.12. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Bij de opening van een individuele spaarrekening moet de belastingplichtige aan de instelling of onderneming, waarbij die rekening wordt geopend, de schriftelijke verbintenis overleggen om de op zijn rekening geboekte sommen, alsmede de terugbetalingen en de opbrengsten van de verkoop van roerende waarden, te beleggen op de wijze en in de verhoudingen als omschreven in artikel 145.11. De belegging moet geschieden binnen twee maanden na de betaling of de terbeschikkingstelling van de bedragen.
  Het naleven van die verbintenis moet ten laatste op de dag van de betaling blijken uit de overlegging van een schriftelijke beleggingsopdracht aan de instelling of onderneming waaraan de betaling is verricht.
  De houder van een individuele spaarrekening mag evenwel aan de instelling of onderneming waarbij die rekening is geopend volmacht geven om de op zijn rekening geboekte sommen te beleggen op de wijze en volgens de verhoudingen als omschreven in artikel 145.11.
  Wanneer geen schriftelijke beleggingsopdracht wordt overgelegd of de in de opdracht vermelde belegging niet overeenstemt met het bepaalde in artikel 145.11. of wanneer de in het vorige lid vermelde volmacht niet is gegeven, wordt de betaalde som niet op de individuele spaarrekening geboekt.
  De inkomsten uit de individuele spaarrekening worden, na aftrek van de kosten, volledig belegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 145.11., eerste lid, 1° tot 4° en 6°.
  De Koning bepaalt de wijze waarop de toepassing van dit artikel wordt nagegaan.

  Art. 145.13. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De dekkingswaarden van de technische reserves betreffende de activiteiten van de spaarverzekering worden belegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 145.11.

  Art. 145.14. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De vermindering voor pensioensparen kan niet samen met de vermindering voor verwerving van werkgeversaandelen ingevolge artikel 145.1., 4°, worden verkregen.

  Art. 145.15. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Alleen (de in artikel 56, § 1, vermelde instellingen) mogen collectieve of individuele spaarrekeningen openen. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, hetzelfde recht toestaan aan beursvennootschappen naar Belgisch recht. <W 1998-12-22/36, art. 16, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Alleen verzekeringsondernemingen die de tak levensverzekering beoefenen overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, mogen spaarverzekeringen afsluiten.

  Art. 145.16. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 86; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Voor de toepassing van het pensioensparen en van artikel 34, § 1, 3°, wordt verstaan onder :
  1° collectieve spaarrekening, de delen van (pensioenspaarfondsen) die door de Minister van Financiën onder de door de Koning bepaalde voorwaarden zijn erkend voor het vormen van spaartegoeden die beschikbaar worden bij leven of bij overlijden; die delen worden op naam ingeschreven bij een van de in artikel 145.15., eerste lid, vermelde instellingen en ondernemingen; <W 1994-07-06/33, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  2° individuele spaarrekening, de door de belastingplichtige aangeschafte roerende waarden en, bijkomend, de op rekening gehouden bedragen, met het oog op het vormen van een spaartegoed dat beschikbaar wordt bij leven of bij overlijden; die waarden en bedragen worden op naam ingeschreven bij een van de in artikel 145.15., eerste lid, vermelde instellingen of ondernemingen;
  3° spaarverzekering, de verzekering door de belastingplichtige op zijn hoofd aangegaan om een pensioen, een rente of een kapitaal bij leven of bij overlijden te vestigen bij een in artikel 145.15., tweede lid, vermelde verzekeringsonderneming.

  G. (Bijdrage voor het vrij pensioen van meewerkende echtgenoot van een zelfstandige). <Ingevoegd bij W 1999-01-25/32, art. 206; Inwerkingtreding : 01-04-1999>

  Art. 145.16bis. <Ingevoegd bij W 1999-01-25/32, art. 204; Inwerkingtreding : 01-04-1999> Er wordt een belastingsvermindering verleend, berekend op het bedrag van de bijdragen betaald met toepassing van artikel 52bis, § 2bis, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.

  Onderafdeling IIter. - Verhoogde vermindering voor het bouwsparen. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 87; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 145.17. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 87; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 145.18. tot 145.20., wordt, in de plaats van de verminderingen als vermeld in artikel 145.1., 2° en 3°, een verhoogde belastingvermindering verleend die wordt berekend op de volgende tijdens het belastbare tijdperk werkelijk betaalde uitgaven die de belastingplichtige heeft gedaan om in België een woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen die bij het afsluiten van de lening zijn enige woning is :
  1° bijdragen als vermeld in artikel 145.1., 2°, voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden en dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die voor die enige woning is aangegaan;
  2° betalingen als vermeld in artikel 145.1., 3°, voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die voor die enige woning is aangegaan.

  Art. 145.18. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 87; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De verhoogde vermindering wordt berekend tegen het voor de belastingplichtige aangerekende hoogste belastingtarief als vermeld in artikel 130.
  Ingeval de bijdragen en betalingen die voor de verhoogde vermindering in aanmerking komen betrekking hebben op meer dan één belastingtarief wordt voor elk deel van die bijdragen en betalingen het overeenstemmende tarief in aanmerking genomen.

  Art. 145.19. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 87; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De in artikel 145.17., 1° en 2° bedoelde bijdragen en betalingen komen voor de verhoogde vermindering in aanmerking onder dezelfde voorwaarden als respectievelijk in de artikelen 145.4. en 145.5., eerste lid, vermeld zijn.
  Daarenboven komen de bedoelde bijdragen en betalingen slechts voor de verhoogde vermindering in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van (50.000 EUR), (52.500 EUR), (55.000 EUR), (60.000 EUR) of (65.000 EUR) van het aanvangsbedrag van de voor de enige woning aangegane leningen, naargelang de belastingplichtige geen, één, twee, drie of meer dan drie kinderen ten laste heeft. Het aantal kinderen ten laste wordt geteld op 1 januari van het jaar na dat waarin het leningscontract is gesloten. <KB 2001-07-13/50, art. 2, 089; Inwerkingtreding : 01-01-2001 - (Van toepassing op de leningen die zijn aangegaan vanaf 1 januari 2001 en voor zover ze geen leningen vervangen die vóór die datum zijn afgesloten.)>
  (Alinea 3 opgeheven) <W 2000-05-17/33, art. 6, 068; Inwerkingtreding : 01-01-2000>

  Art. 145.20. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 87; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De in artikel 145.17., 1° en 2°, bedoelde bijdragen en betalingen mogen, samen met de bijdragen en betalingen als vermeld in artikel 145.1., 2° en 3°, de in artikel 145.6., eerste lid, vermede percentages en grenzen niet overschrijden.
  Wanneer de verhoogde vermindering en de verminderingen als vermeld in artikel 145.1., 2° en 3°, gelijktijdig van toepassing zijn, wordt voor de toepassing van de in het eerste lid bepaalde percentages en grenzen voorrang gegeven aan de bijdragen en betalingen die recht geven op de verhoogde vermindering.

  Onderafdeling IIquater. - (Vermindering voor uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (en voor prestaties betaald met dienstencheques.)) <W 1994-12-21/31, art. 93; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <W 2001-07-20/37, art. 8, 093; Inwerkingtreding : 11-08-2001>

  Art. 145.21. <W 1994-12-21/31, art. 94, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1995> Binnen de perken en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 145.2. en 145.22., wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de uitgaven tot ten hoogste (1.810 EUR) die geen beroepskosten zijn en die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald voor prestaties, te verrichten door een (werknemer) in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (of op de uitgaven die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald voor prestaties betaald met dienstencheques.) <W 1999-04-07/32, art. 30, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; ED : 01-01-2002> <W 2001-07-20/37, art. 9, 093; Inwerkingtreding : 11-08-2001>
  Voor het bepalen van het bedrag van de in het eerste lid vermelde uitgaven wordt alleen rekening gehouden met de nominale waarde van de PWA-cheques vermeld in de reglementering betreffende de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (of met de nominale waarde van de dienstencheques bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.) <W 2001-07-20/37, art. 9, 093; Inwerkingtreding : 11-08-2001>

  Art. 145.22. <Ingevoegd bij W 1994-03-30/39, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-1995> De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de in artikel 145.21 vermelde uitgaven moeten voldoen om voor belastingvermindering in aanmerking te komen.

  Art. 145.23. <W 2001-08-10/63, art. 32, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de in artikel 14521 vermelde uitgaven evenredig omgedeeld op ieders belastbare inkomen.

  Onderafdeling IIquinquies. <Ingevoegd bij W 2001-08-10/63, art. 33; Inwerkingtreding : 01-01-2004> - Vermindering voor energiebesparende uitgaven.

  Art. 145.24. <Ingevoegd bij W 2001-08-10/63, art. 33; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Er wordt een belastingvermindering verleend voor de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor een rationeler energiegebruik in een woning waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is :
  1° uitgaven voor de vervanging van oude stookketels;
  2° uitgaven voor de installatie van een systeem van waterverwarming door middel van zonne-energie;
  3° uitgaven voor de plaatsing van zonnecelpanelen voor het omzetten van zonne-energie in elektrische energie;
  4° uitgaven voor de plaatsing van dubbele beglazing;
  5° uitgaven voor de isolatie van daken;
  6° uitgaven voor de plaatsing van een warmteregeling van een installatie van centrale verwarming door middel van thermostatische kranen of door een kamerthermostaat met tijdsinschakeling;
  7° uitgaven voor een energie-audit van de woning.
  De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die :
  a) in aanmerking genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
  b) recht geven op de in artikel 69 vermelde investeringsaftrek.
  De belastingvermindering is gelijk aan het volgende percentage van de werkelijk gedane uitgaven :
  a) 15 pct. voor de in het eerste lid, 1° tot 3°, genoemde uitgaven;
  b) 40 pct. voor de in het eerste lid, 4° tot 7°, genoemde uitgaven.
  Het totaal van de verschillende belastingverminderingen mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 500 EUR per woning bedragen.
  Het in het vorige lid bedoelde bedrag kan door de Koning worden verhoogd tot 1 000 EUR bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  (Bij een gemeenschappelijke aanslag), wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van de woning waarin de werken zijn uitgevoerd. <W 2001-08-10/63, art. 33, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de werken in verband met de in het eerste lid bedoelde uitgaven moeten voldoen.

  Onderafdeling III. - Vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten.

  Art. 146. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden de volgende begripsomschrijvingen :
  1° pensioenen : pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen als vermeld in artikel 34, met inbegrip van niet (sub 2° en 2° bis vermelde brugpensioenen); <W 2001-08-10/63, art. 34, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  2° brugpensioenen oud stelsel : brugpensioenen verkregen ter uitvoering, ofwel van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974, algemeen verbindend verklaard door het koninklijk besluit van 16 januari 1975, ofwel van sectoriële of bijzondere overeenkomsten die gelijkaardige voordelen inhouden die voor 1 juni 1986 zijn ingegaan of die in de periode van 1 juni 1986 tot 31 december 1986 zijn ingegaan ter uitvoering van een voor 1 juni 1986 neergelegde collectieve arbeidsovereenkomst;
  (2°bis brugpensioenen nieuw stelsel : brugpensioenen die zijn ingegaan vanaf 1 januari 2004;) <W 2001-08-10/63, art. 34, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  3° werkloosheidsuitkeringen : wettelijke en extra-wettelijke uitkeringen van alle aard verkregen als volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen ten gevolge van volledige of gedeeltelijke onvrijwillige werkloosheid (...) (alsmede het inkomen verkregen voor prestaties geleverd in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst, voor het saldo dat overblijft na toepassing van artikel 38, eerste lid, 13°). <W 1994-12-21/31, art. 95, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <W 1999-04-07/32, art. 31, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  4° wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen : uitkeringen krachtens de wetgeving betreffende de verzekering tegen ziekte of invaliditeit;
  5° andere vervangingsinkomsten : vergoedingen van alle aard verkregen als volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst, baten of bezoldigingen met uitzondering van de sub 2° tot 4° vermelde vervangingsinkomsten.

  Art. 147. <W 2001-08-10/63, art. 35, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Op de belastingen met betrekking tot pensioenen en vervangingsinkomsten worden de volgende verminderingen verleend :
  1° als het netto-inkomen uitsluitend uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat : 1 344,57 EUR;
  2° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat : een gedeelte van het in 1° vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de pensioenen en de andere vervangingsinkomsten enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;
  3° als het netto-inkomen uitsluitend uit brugpensioenen oud stelsel bestaat : 2 434,66 EUR;
  4° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit brugpensioenen oud stelsel bestaat : een gedeelte van het in 3° vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de brugpensioenen oud stelsel enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;
  5° als het netto-inkomen uitsluitend uit brugpensioenen nieuw stelsel bestaat :
  a) voor een belastingplichtige die alleen wordt belast : 1 344,57 EUR;
  b) voor de echtgenoten samen wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd : 1 569,96 EUR;
  6° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit brugpensioenen nieuw stelsel bestaat : een gedeelte van de in 5° vermelde bedragen, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de brugpensioenen nieuw stelsel enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;
  7° als het netto-inkomen uitsluitend uit werkloosheidsuitkeringen bestaat :
  a) voor een belastingplichtige die alleen wordt belast : 1 344,57 EUR;
  b) voor de echtgenoten samen wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd : 1 569,96 EUR;
  8° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit werkloosheidsuitkeringen bestaat : een gedeelte van de in 7° vermelde bedragen, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de werkloosheidsuitkeringen enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;
  9° als het netto-inkomen uitsluitend uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen bestaat : 1 725,98 EUR;
  10° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen bestaat : een gedeelte van het in 9° vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen enerzijds en het netto-inkomen anderzijds.

  Art. 148. (Opgeheven) <W 1994-03-30/39, art. 27, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Art. 149. <W 2001-08-10/63, art. 36, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt :
  1° het nettobedrag van de pensioenen en vervangingsinkomsten bepaald overeenkomstig artikel 23, § 2, vóór toepassing van de artikelen 87 en 88;
  2° met "netto-inkomen" bedoeld, het totale netto-inkomen van iedere belastingplichtige zonder toepassing van de artikelen 87 en 88.

  Art. 150. <W 2001-08-10/63, art. 37, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden, met uitzondering van de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen en de vermindering voor brugpensioenen nieuw stelsel, de in deze onderafdeling bepaalde verminderingen en grenzen per belastingplichtige berekend.
  De vermindering voor werkloosheidsuitkeringen en de vermindering voor brugpensioenen nieuw stelsel, worden voor beide echtgenoten samen berekend. Daarbij worden respectievelijk de werkloosheidsuitkeringen, de brugpensioenen nieuw stelsel, de netto-inkomens en de belastbare inkomens van beide echtgenoten samengeteld om de verminderingen en de grenzen te berekenen.
  De overeenkomstig het tweede lid berekende vermindering voor werkloosheidsuitkeringen en de vermindering voor brugpensioenen nieuw stelsel worden daarna omgedeeld per belastingplichtige in verhouding tot het aandeel van zijn werkloosheidsuitkeringen en het aandeel van zijn brugpensioenen nieuw stelsel respectievelijk in het totaal van de werkloosheidsuitkeringen en het totaal van de brugpensioenen nieuw stelsel van beide echtgenoten.

  Art. 151. <W 2001-08-10/63, art. 37, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Wanneer het belastbare inkomen 18 600 EUR of meer bedraagt, wordt de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen, andere dan die welke zijn toegekend aan werklozen die op 1 januari van het aanslagjaar 58 jaar of ouder zijn en een anciënniteitstoeslag bevatten, niet toegepast. Wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 14 900 EUR en 18 600 EUR, wordt die vermindering slechts verleend tot een deel dat wordt bepaald naar de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 18 600 EUR en het belastbare inkomen en, anderdeels, het verschil tussen 18 600 EUR en 14 900 EUR.

  Art. 152. <W 2001-08-10/63, art. 39, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Wanneer het belastbare inkomen 29 800 EUR of meer bedraagt, worden de niet in artikel 151 vermelde verminderingen slechts tot één derde verleend. Wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 14 900 EUR en 29 800 EUR, wordt deze grens van één derde vermeerderd met een deel van de resterende tweederde bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 29.800 EUR en het belastbare inkomen en, anderdeels, het verschil tussen 29 800 EUR en 14 900 EUR.

  Art. 153. Geen vermindering ingevolge deze onderafdeling mag hoger zijn dan het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op de inkomsten waarvoor zij is verleend.

  Art. 154. <W 2001-08-10/63, art. 40, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Geen belasting is verschuldigd wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit :
  1° pensioenen of vervangingsinkomsten en het totale bedrag van die inkomsten niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen;
  2° brugpensioenen oud stelsel en het bedrag van die inkomsten niet hoger is dan het maximumbedrag van het bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 bedoelde brugpensioen;
  3° werkloosheidsuitkeringen en het bedrag van die uitkeringen niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, in voorkomend geval met inbegrip van de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, indien de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt;
  4° wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en het bedrag van die inkomsten niet hoger is dan tien negenden van het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen.
  Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de totale netto-inkomens van de beide echtgenoten samengeteld voor de toepassing van het eerste lid.

  Onderafdeling IV. - Vermindering voor inkomsten uit het buitenland.

  Art. 155. Inkomsten die krachtens internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting zijn vrijgesteld, komen in aanmerking voor het bepalen van de belasting, maar deze wordt verminderd naar de verhouding tussen de inkomsten die zijn vrijgesteld en het geheel van de inkomsten.
  (Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de vermindering per belastingplichtige op zijn totale netto-inkomen berekend.) <W 2001-08-10/63, art. 41, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 156. Tot de helft wordt verminderd het deel van de belasting dat evenredig overeenstemt :
  1° met inkomsten van in het buitenland gelegen onroerende goederen;
  2° met in het buitenland behaalde en belaste beroepsinkomsten, met uitzondering van de inkomsten van roerende goederen en kapitalen die de belastingplichtige gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in inrichtingen waarover hij in België beschikt; op bezoldigingen van (bedrijfsleiders) is deze bepaling slechts van toepassing in zover die inkomsten uit hoofde van een werkzaamheid die de verkrijgers ten behoeve van in het buitenland gelegen inrichtingen uitoefenen, op de resultaten van die inrichtingen worden toegerekend;
  3° met de hierna vermelde diverse inkomsten : <KB 1996-12-20/40, art. 48, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  a) in het buitenland behaalde en belaste winst of baten;
  b) prijzen, subsidies, renten of pensioenen ten laste van vreemde openbare machten of openbare instellingen;
  c) onderhoudsuitkeringen ten laste van niet-rijksinwoners.
  (Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de vermindering per belastingplichtige op zijn totale netto-inkomen berekend.) <W 2001-08-10/63, art. 42, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Onderafdeling V. - Vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan.

  Art. 157. In zover de belasting op winst, baten, bezoldigingen van (bedrijfsleiders) niet als voorheffing is geheven of in het jaar waarin het inkomen wordt verkregen niet bij voorafbetaling is voldaan, wordt ze vermeerderd met een bedrag dat wordt vastgesteld zoals bepaald in deze onderafdeling. <KB 1996-12-20/40, art. 48, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (Het overschot van de voorafbetalingen gedaan door een echtgenoot die met toepassing van artikel 86 een gedeelte van zijn winst of baten toekent aan de meewerkende echtgenoot, komt van rechtswege toe aan de meewerkende echtgenoot.) <W 2001-08-10/63, art. 43, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 158. Bij het bepalen van het belastingbedrag waarop de vermeerdering wordt berekend worden de winst, baten en bezoldigingen van (bedrijfsleiders) en de desbetreffende kosten en aftrekken afzonderlijk in aanmerking genomen en wordt de belasting op die inkomsten in voorkomend geval verminderd met de onroerende en de roerende voorheffing, de bedrijfsvoorheffing (, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en het belastingkrediet) die op die inkomsten betrekking hebben. <KB 1996-12-20/40, art. 48, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 1995-12-20/31, art. 8, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 159. De vermeerdering is gelijk aan het positieve verschil tussen :
  1° het belastingbedrag waarop de vermeerdering wordt berekend, vermenigvuldigd met 2,25 maal de basisrentevoet, en
  2° de bedragen van de voorafbetalingen vermenigvuldigd met 3 maal 2,5 maal, 2 maal en 1,5 maal de basisrentevoet, naargelang zij uiterlijk zijn gedaan op 10 april, 10 juli, 10 oktober en 20 december van het jaar voor dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.

  Art. 160. De vermeerdering ingevolge artikel 159 wordt tot 90 pct. van haar bedrag teruggebracht.

  Art. 161. (De basisrentevoet is het, in voorkomend geval tot de lagere eenheid afgeronde, rentetarief van de marginale beleningsfaciliteit van de Europese Centrale Bank op 1 januari van het jaar vóór dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.) <KB 2000-07-20/63, art. 1, 077; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 162. Wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, kan de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit en na raadpleging van de betrokken beroepsorganisaties, een hoger of lager percentage van vermeerdering vaststellen en de groepen van belastingplichtigen aanwijzen waarvoor het aldus vastgestelde percentage van toepassing is.
  Geen vermeerdering wordt toegepast op de voorafbetalingen die, onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald ter uitvoering van artikel 167, uiterlijk binnen de maand na de bekendmaking van dat besluit in het Belgisch Staatsblad, ter voldoening van de verschuldigde belastingen worden gestort.

  Art. 163. Geen vermeerdering is verschuldigd wanneer het ingevolge de artikelen 159 en 160 berekende bedrag ervan lager is dan 1 pct. van de belasting waarop zij is berekend of (25 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 164. Geen vermeerdering is verschuldigd op de belasting op de winst, de baten en de bezoldigingen van (bedrijfsleiders), die personen (...) als zij zich voor de eerste maal vestigen in een zelfstandig beroep, uit de uitoefening van de werkzaamheid gedurende de eerste drie jaren verkrijgen. Het jaar waarin elke werkzaamheid aanvangt wordt voor een volledig jaar geteld. <KB 1996-12-20/40, art. 48, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 1997-07-06/74, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 21-10-1997>

  Art. 165. Voor de toepassing van deze onderafdeling bedraagt de belasting 106 pct. van de Rijksbelasting.

  Art. 166. Voor de toepassing van deze onderafdeling omvatten de winst, de baten en de bezoldigingen van (bedrijfsleiders) niet de vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst, bezoldigingen of baten. <KB 1996-12-20/40, art. 48, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 167. De Koning bepaalt de voorwaarden en de regels van uitvoering van de artikelen 157 tot 166 en stelt vast welke de belastingplichtigen hiervan op straffe van verval in acht moeten nemen.
  Hij stelt eveneens de bijzondere regels vast die van toepassing zijn ingeval de winst, de baten of de bezoldigingen van (bedrijfsleiders) betrekking hebben op een tijdperk van minder of meer dan twaalf maanden of op een boekjaar dat op een andere datum dan 31 december wordt afgesloten, dan wel op een seizoenwerkzaamheid. <KB 1996-12-20/40, art. 48, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 168. De Koning kan van de vermeerdering geheel of gedeeltelijk afzien wanneer de voorafbetalingen worden gedaan volgens de regels, onder de voorwaarden en binnen de termijnen die Hij bepaalt.

  Afdeling II. - Bijzondere stelsels van aanslag.

  Onderafdeling I. - Omzetting van sommige kapitalen, vergoedingen en afkoopwaarden in lijfrente.

  Art. 169. § 1. Kapitalen die worden vereffend bij het normaal verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde en afkoopwaarden die worden vereffend in een der vijf jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan, en voor zover die kapitalen en afkoopwaarden worden uitgekeerd uit hoofde (ofwel van levensverzekeringscontracten (als vermeld in artikel 145.1, 2°), en tot het bedrag dat dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening, ofwel van levensverzekeringscontracten (als vermeld in (artikel 145.17, 1°))), of van aanvullende pensioenen overeenkomstig artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, alsmede kapitalen die de aard hebben van een vergoeding tot geheel of gedeeltelijk herstel van een bestendige derving van beroepsinkomsten, worden voor de vaststelling van de belastbare grondslag slechts in aanmerking genomen tot het bedrag van de lijfrente die zou voortvloeien uit de omzetting van die kapitalen en afkoopwaarden volgens door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit vastgestelde coëfficiënten die niet meer dan 5 pct. mogen bedragen. <W 1992-07-28/30, art. 14, 1°; Inwerkingtreding : 01-08-1992> <W 1992-12-28/32, art. 88, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1993> <W 2000-05-17/33, art. 7, 068; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  Hetzelfde omzettingsstelsel is van toepassing op de eerste schijf van (50.000 EUR) van het kapitaal of van de afkoopwaarde van levensverzekeringscontracten in de zin van (de artikelen 52, 3°, b en 145.1, 1°), waarop voorschotten zijn opgenomen of die als waarborg van een hypothecaire lening hebben gediend, voor zover die voorschotten verleend of die leningen gesloten zijn voor het bouwen, het verwerven of het verbouwen van een in België gelegen eerste woning die uitsluitend bestemd is voor het persoonlijk gebruik van de leningnemer en zijn gezinsleden en indien, bij leven van de verzekerde, de voorschotten op contracten of de vestiging van de hypotheek ten minste tien jaar voor het verstrijken van het contract hebben plaatsgevonden. <W 1992-12-28/32, art. 88, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1994> <KB 2001-07-13/50, art. 3, 089; Inwerkingtreding : 01-01-2001 - (Van toepassing op de kapitalen of afkoopwaarden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2001)
  § 2. (De omzettingsrente wordt voor elk belastbaar tijdperk gezamenlijk met de andere inkomsten belast vanaf de dag waarop het kapitaal of de afkoopwaarde is betaald of toegekend :
  a) wanneer de omzettingsrente overeenkomstig de bepalingen van § 1, 5 pct. bedraagt, gedurende 10 opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbaar tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer die gebeurtenis plaats vindt vóór het verstrijken van die periode van 10 belastbare tijdperken;
  b) Wanneer die omzettingsrente overeenkomstig dezelfde bepalingen minder dan 5 pct. bedraagt, gedurende 13 opeenvolgende belastbare tijdperken of tot het belastbare tijdperk waarin de verkrijger is overleden wanneer die gebeurtenis plaatsvindt vóór het verstrijken van die periode van 13 belastbare tijdperken.) <W 1992-07-28/30, art. 14, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 170. Wanneer de inkomsten een in artikel 90, 3°, vermeld kapitaal omvatten, komt dat kapitaal voor de berekening van de belasting slechts in aanmerking tot het bedrag van de jaarlijkse uitkering die erdoor wordt vervangen.
  Het bedrag van de jaarlijkse uitkering die voor de berekening van de belasting in aanmerking moet worden genomen, wordt vastgesteld door op het kapitaal een van de in artikel 169, § 1, vermelde omzettingscoëfficiënten toe te passen.
  Vanaf de dag waarop dat kapitaal is betaald of toegekend en tot de dag van het overlijden van de verkrijger wordt 80 pct. van het bedrag van de jaarlijkse uitkering voor elk belastbaar tijdperk gezamenlijk met de andere inkomsten belast.

  Onderafdeling II. - Afzonderlijke aanslagen.

  Art. 171. In afwijking van de artikelen 130 tot 168, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de evenvermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten :
  1° tegen een aanslagvoet van 33 pct :
  a) de in artikel 90, 1°, vermelde diverse inkomsten;
  b) de in artikel 90, 8°, vermelde meerwaarden, ingeval de desbetreffende goederen worden vervreemd binnen 5 jaar na de verkrijging ervan;
  (c) onverminderd de toepassing van 4°, b, stopzettingsmeerwaarden op immateriële vaste activa als vermeld in artikel 28, eerste lid, 1°, en de in de artikelen 25, 6°, a en 27, tweede lid, 4°, a, vermelde vergoedingen verkregen als compensatie van een vermindering van de werkzaamheid, in zover zij niet meer bedragen dan de belastbare netto-winst of -baten die (in de vier jaren voorgaand aan het jaar van de stopzetting) of de vermindering van de werkzaamheid uit de niet meer uitgeoefende werkzaamheid zijn verkregen. <W 1992-12-28/32, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  Onder belastbare netto-winst of -baten van elk in het vorige lid vermelde jaar wordt verstaan het overeenkomstig artikel 23, § 2, 1°, vastgestelde inkomen, maar met uitzondering van de ingevolge deze onderafdeling afzonderlijk belaste inkomsten.) <W 1992-07-28/30, art. 15, 1°; Inwerkingtreding : 06-04-1992>
  (d) afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten vermeld in 2°, b, indien anders dan in 4°, f, vereffend;
  e) kapitalen als vermeld in 2°, c, indien anders dan in 4°, g, vereffend;
  f) afkoopwaarden als vermeld in 2°, d, indien anders vereffend;
  g) spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 2°, e, indien anders vereffend;) <W 1992-12-28/32, art. 89, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1993 en 01-01-1994>
  2° (tegen een aanslagvoet van 10 pct. :
  a) (de kapitalen die worden vereffend bij het normaal verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde en de afkoopwaarden die worden vereffend in één der vijf jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan en voor zover die kapitalen en afkoopwaarden worden uitgekeerd uit hoofde van vrije pensioenen waarvoor een in artikel 145.16bis bedoelde belastingsvermindering werd verleend;) <W 1999-01-25/32, art. 207, 045; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
  b) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, in zoverre dat zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145.1., 1°, zijn gevormd;
  c) kapitalen als vermeld in 4°, g, in zoverre dat zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145.1., 1°, zijn gevormd;
  d) kapitalen die worden vereffend bij overlijden van de verzekerde en afkoopwaarden die worden vereffend in één der 5 jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan, en voor zover die kapitalen en afkoopwaarden worden uitgekeerd uit hoofde van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 145.1., 2°, en tot het bedrag dat niet dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening;
  e) de in het kader van het pensioensparen door middel van betalingen als vermeld in artikel 145.1., 5°, gevormde spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden, wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan, naar aanleiding van zijn brugpensionering of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij (de rechtverkrijgende is)); <Erratum, zie B.St. 18-02-1993, p. 3658> <W 1992-12-28/32, art. 89, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1993 en 01-01-1994>
  2°bis) (tegen een aanslagvoet van (15) pct. : <W 1995-12-20/31, art. 9, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  a) de inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn en de in artikel 90, 5° tot 7°, vermelde diverse inkomsten;
  b) de in artikel 269, tweede lid, 2°, en derde lid, vermelde dividenden;) <W 1994-03-30/39, art. 13, 1°, 002; ED : 01-01-1995>
  3° (tegen een aanslagvoet van 25 pct., de dividenden, met uitzondering van die vermeld in artikel 269, tweede en derde lid); <W 1994-03-30/39, art. 13, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (3°bis tegen een aanslagvoet van 20 pct., de in artikel 269, tweede lid, 1°, vermelde dividenden;) <W 1994-03-30/39, art. 13, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (3°ter tegen een aanslagvoet van 15, 20 of 25 %, de in artikel 18, eerste lid, 3°, beoogde vergoedingen voor ontbrekende coupon, naargelang de toepasbare aanslagvoet op de dividenden dewelke die vergoedingen vervangen;) <W 1999-03-10/38, art. 47, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  4° tegen een aanslagvoet van 16,5 pct. :
  a) verwezenlijkte meerwaarden op materiële of financiële vaste activa die op het ogenblik van hun vervreemding sedert meer dan 5 jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt (en waarvoor niet voor de in artikel 47 vermelde gespreide belasting is geopteerd), en op andere aandelen die sedert meer dan 5 jaar zijn verworven. <W 1994-07-06/33, art. 24, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  De in het vorige lid gestelde voorwaarde van de vijfjarige belegging is niet vereist wanneer de meerwaarden worden verwezenlijkt naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van de beroepswerkzaamheid of van één of meer takken daarvan;
  b) (de in 1°, c, vermelde stopzettingsmeerwaarden die worden verkregen of vastgesteld naar aanleiding van de stopzetting van de werkzaamheid vanaf de leeftijd van 60 jaar of ingevolge het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen definitieve stopzetting en de in 1°, c, vermelde vergoedingen die worden verkregen naar aanleiding van een handeling verricht vanaf dezelfde leeftijd of ingevolge het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen handeling.
  Onder gedwongen definitieve stopzetting of gedwongen handeling wordt verstaan de definitieve stopzetting of de handeling die voortvloeit uit een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom, of een andere gelijkaardige gebeurtenis. Als gedwongen definitieve stopzetting wordt eveneens beschouwd de definitieve stopzetting die het gevolg is van een handicap als vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°.) <W 1992-07-28/30, art. 15, 2°; Inwerkingtreding : 06-04-1992>
  c) de in artikel 90, 2°, vermelde prijzen, subsidies, renten en pensioenen;
  d) de in artikel 90, 8°, vermelde meerwaarden, wanneer de goederen waarop zij betrekking hebben meer dan 5 jaar na de verkrijging ervan zijn vervreemd;
  e) de in (artikel 90, 9° en 10°), vermelde meerwaarden; <KB 1996-12-20/40, art. 19, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  f) niet volgens artikel 169, § 1, belastbare kapitalen van levensverzekeringscontracten die worden vereffend bij het normale verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde, alsmede de afkoopwaarden van die contracten wanneer zij vereffend worden, naar aanleiding van de pensionering of brugpensionering van de verzekerde, in een der 5 jaren voor het normaal verstrijken van het contract of op de normale leeftijd waarop de verkrijger zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet ( en (in zoverre) die kapitalen en afkoopwaarden door werkgeversbijdragen als vermeld in artikel 52, 3°, b, zijn gevormd); <Erratum, zie B.St. 18-02-1993, p. 3658> <W 1992-12-28/32, art. 89, 3°; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  fbis) (...) <W 1992-12-28/32, art. 89, 4°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  g) (andere kapitalen geldend als renten of pensioenen, wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd ten vroegste naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan, naar aanleiding van zijn brugpensionering, naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is of op de normale leeftijd waarop de verkrijger zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet en voor zover die kapitalen niet zijn gevormd door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145.1., 1°.) <W 1994-07-06/33, art. 24, 2°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  h) de afkoop van de gekapitaliseerde waarde van een deel van het wettelijk rust- of overlevingspensioen;
  i) (de premies en vergoedingen ingesteld door de Europese Gemeenschappen als steunregeling voor de landbouwsector;) <W 1999-05-04/54, art. 11, 056; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  5° tegen de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad :
  a) vergoedingen van meer dan (615 EUR) bruto, die al of niet contractueel betaald zijn ten gevolge van stopzetting van arbeid of beëindiging van een arbeidsovereenkomst; <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  b) bezoldigingen, pensioenen, renten of toelagen als vermeld in de artikelen 31 en 34, waarvan de uitbetaling of de toekenning door toedoen van de overheid of wegens het bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben;
  c) winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid als (vermeld in artikel 28, eerste lid, 2° en 3°, a); <W 1994-07-06/33, art. 24, 3°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  (d) vergoedingen die door het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers worden uitgekeerd na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop de vergoeding in werkelijkheid betrekking heeft;
  e) de EGKS-vergoedingen die door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening ten gevolge van de herstructurering of sluiting van een onderneming worden uitgekeerd na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop de vergoeding in werkelijkheid betrekking heeft;) <W 2000-04-06/37, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  6° tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten :
  - het verkregen vakantiegeld dat wordt betaald aan een hoofdarbeider die de onderneming verlaat;
  - de in artikel 23, § 1, 2°, vermelde baten die betrekking hebben op gedurende een periode van meer dan 12 maanden geleverde diensten en die door toedoen van de overheid niet betaald zijn in het jaar van de prestaties maar in eenmaal worden vergoed, en zulks uitsluitend voor het evenredige deel dat een vergoeding van 12 maanden prestaties overtreft;
  - de in artikel 90, 4°, vermelde uitkeringen.

  Art. 172. Om het belastbare bedrag van de in artikel 171 vermelde inkomsten te bepalen, worden de artikelen 81 tot 85 en 104 tot 125 niet toegepast.
  Om te bepalen of de in artikel 90, 8°, b, vermelde meerwaarden belastbaar zijn tegen de aanslagvoet van 33 pct. of van 16,5 pct. wordt de verkrijging van het goed door de schenker in aanmerking genomen.

  Art. 173. Verwezenlijkte meerwaarden op financiële vaste activa of andere aandelen worden slechts aan de belasting tegen het tarief van 16,5 pct. onderworpen in zover het belastbare bedrag ervan hoger is dan het totale bedrag van de vroeger op diezelfde bestanddelen aangenomen minderwaarden, verminderd met het totale bedrag van de meerwaarden die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 3°, zijn belast.
  In voorkomend geval vindt artikel 42, toepassing om te bepalen of de in artikel 171, 4°, a, bedoelde activa zijn vervreemd nadat zij meer dan 5 jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt.

  Art. 174. Behoudens in geval van overlijden vinden de bepalingen van (artikel 171, 2°, e) slechts toepassing op voorwaarde dat : <W 1992-12-28/32, art. 91, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  1° de in (artikel 145.9, eerste lid, 1°, b), bepaalde minimumlooptijd van 10 jaar verstreken is; <W 1992-12-28/32, art. 91, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  2° de belastingplichtige gedurende ten minste 5 belastbare tijdperken stortingen heeft verricht op een collectieve of op een individuele spaarrekening of als premie van een spaarverzekering;
  3° elke storting gedurende ten minste 5 jaar belegd is gebleven.
  (Lid 2 opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 91, 3°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Afdeling III. - Bonificatie voor voorafbetaling van de belasting.

  Art. 175. Op de belasting berekend overeenkomstig de artikelen 130 tot 156 en 171 tot 174, verhoogd tot 106 pct. en verminderd met,
  1° de als voorheffing (, als forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en als belastinkrediet) verrekenbare bedragen, <W 1995-12-20/31, art. 10, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  2° het bedrag van de voorafbetalingen die nodig zijn om de in artikel 157 genoemde vermeerdering te vermijden, wordt een bonificatie verleend in zover die belasting op de door de Koning vastgestelde wijze is voorafbetaald.

  Art. 176. Het gedeelte van de in artikel 157 bedoelde voorafbetalingen dat hoger is dan het in artikel 175, 2°, genoemde bedrag, komt in aanmerking als een voorafbetaling die recht geeft op bonificatie.

  Art. 177. De in artikel 175 vermelde bonificatie is gelijk aan het bedrag van de voorafbetalingen vermenigvuldigd met 1,5 maal, 1,25 maal, 1 maal en 0,75 maal de in artikel 161 vermelde basisrentevoet naar gelang zij uiterlijk op 10 april, 10 juli, 10 oktober en 20 december van het jaar voor dat waarvoor het aanslagjaar word genoemd, zijn gedaan.

  Afdeling IV. - Jaarlijkse indexatie.

  Art. 178. § 1. De bedragen die in deze titel en in de desbetreffende bijzondere wetsbepalingen zijn uitgedrukt (in euro), worden met betrekking tot inkomstengrenzen en -schijven, vrijstellingen, verminderingen, aftrekken en beperkingen of begrenzingen ervan, jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast (onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 3). <W 1992-12-28/32, art. 5, 1°; Inwerkingtreding : 10-01-1993> <KB 2001-07-13/50, art. 4, 089; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. De aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988.
  Bij de berekening van de coëfficiënt worden de volgende afrondingen toegepast :
  1° het gemiddelde van de indexcijfers wordt afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet 5 bereikt;
  2° de coëfficiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet 5 bereikt.
  ((Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen, met uitzondering van die vermeld in artikel 147, afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 10 euro naargelang het cijfer van de eenheden al dan niet 5 bereikt. De bedragen vermeld in artikel 147 worden afgerond tot de hogere of lagere cent naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.) <W 1994-03-30/39, art. 14, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <KB 2000-07-20/64, art. 4, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 3. In afwijking van § 2, eerste lid, wordt, behoudens wat de in de artikelen 131 tot 134 (...) vermelde belastingvrije sommen, eventueel verhoogd, en de grenzen van de in de artikelen 136 en 140 tot 142 vermelde bestaansmiddelen betreft, de aanpassing verwezenlijkt : <W 1994-03-30/39, art. 14, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  1° voor de (aanslagjaren 1994 tot 1999) met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1991 te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988; <KB 1996-12-20/40, art. 20, 1°, 024; Inwerkingtreding : 10-01-1997>
  2° voor de (aanslagjaren 2000 en volgende) met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van (de jaren 1997 en 1991).) <W 1992-12-28/32, art. 5, 2°; Inwerkingtreding : 10-01-1993> <KB 1996-12-20/40, art. 20, 2°, 024; Inwerkingtreding : 10-01-1997>
  (§ 4.) Paragraaf 1 is niet van toepassing op de in (artikel 16, § 4,) vermelde bedragen van (3.000 EUR) en (250 EUR). <W 1992-12-28/32, art. 5, 2°; Inwerkingtreding : 10-01-1993> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 2001-08-10/63, art. 44, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  TITEL III - Vennootschapsbelasting.

  HOOFDSTUK I. - Aan de belasting onderworpen vennootschappen.

  Art. 179. Aan de vennootschapsbelasting zijn de binnenlandse vennootschappen onderworpen alsmede, vanaf 1 januari 1995, de gemeentespaarkassen als vermeld in artikel 124 van de nieuwe gemeentewet.

  Art. 180. Aan de vennootschapsbelasting zijn niet onderworpen :
  1° intercommunales beheerst door de wet van 22 december 1986;
  2° (de Naamloze Vennootschap Zeekanaal en Watergebonden Grondbeheer Vlaanderen, de Maatschappij der Brugse Zeevaartinrichtingen, de Haven van Brussel, de gemeentelijke autonome havenbedrijven van Antwerpen, Oostende en Gent en de autonome havens van Luik, Charleroi en Namen;) <W 2000-08-12/67, art. 31, 074; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  3° de Nationale Delcrederedienst;
  4° de Belgische Maatschappij voor de Financiering van de Nijverheid;
  5° de Nationale Loterij;
  (5°bis het Participatiefonds;) <W 1992-07-28/30, art. 82; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  6° de Waalse Regionale Maatschappij voor Openbaar Personenvervoer en de exploitatiemaatschappijen die eraan zijn verbonden;
  7° de Vlaamse Vervoermaatschappij en de autonome exploitatieëntiteiten binnen de Maatschappij;
  8° de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel;
  9° waterzuiveringsmaatschappijen beheerst door de wet van 26 maart 1971.
  10° (opgeheven) <W 2000-08-12/67, art. 31, 074; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  (11° de vennotschap van publiek recht met sociaal oogmerk Belgische Technische Coöperatie.) <W 1998-12-21/30, art. 32, 041; Inwerkingtreding : 24-02-1999>

  Art. 181. Aan de vennootschapsbelasting zijn ook niet onderworpen, verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven en :
  1° uitsluitend of hoofdzakelijk het bestuderen, het beschermen en het bevorderen van de professionele of interprofessionele belangen van hun leden tot doel hebben;
  2° het verlengstuk of de emanatie zijn van rechtspersonen als vermeld onder 1°, wanneer ze uitsluitend of hoofdzakelijk tot doel hebben het vervullen, in naam en voor rekening van hun aangeslotenen, van alle of van een deel van de verplichtingen of formaliteiten die aan die aangeslotenen zijn opgelegd wegens het feit dat zij personeel tewerkstellen of ter uitvoering van de fiscale of sociale wetgeving, of het helpen van hun aangeslotenen bij het vervullen van die verplichtingen of formaliteiten;
  3° ter uitvoering van de sociale wetgeving belast zijn met het innen, centraliseren, kapitaliseren en verdelen van de fondsen bestemd voor de toekenning van de voordelen bepaald in die wetgeving;
  4° uitsluitend of hoofdzakelijk het verstrekken of het steunen van onderwijs tot doel hebben;
  5° uitsluitend of hoofdzakelijk het organiseren van handelsbeurzen of tentoonstellingen tot doel hebben;
  6° door de bevoegde organen van de Gemeenschappen als dienst voor gezins- en bejaardenhulp zijn erkend;
  7° (erkend zijn voor de toepassing van artikel 104, 3°, b, d, e, h, i en j, 4° en 4°bis, of erkend zouden zijn indien ze daartoe een aanvraag indienden of omdat ze aan alle voorwaarden voldoen waaraan de erkenning is onderworpen behoudens die welke erin bestaat de bedrijvigheid op nationaal vlak te ontwikkelen of een invloedssfeer te hebben die één van de gemeenschappen of gewesten of het gehele land bestrijkt, naar het geval.) <W 1998-12-22/36, art. 18, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 182. Voor verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven worden niet als verrichtingen van winstgevende aard aangemerkt :
  1° alleenstaande of uitzonderlijke verrichtingen;
  2° verrichtingen die bestaan in het beleggen van fondsen ingezameld in het kader van de statutaire opdracht;
  3° verrichtingen die bestaan in een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingen betrekking heeft of niet volgens nijverheids- of handelsmethoden wordt uitgevoerd.

  HOOFDSTUK II. - Grondslag van de belasting.

  Afdeling I. - Algemene bepalingen.

  Art. 183. Onder voorbehoud van de in deze titel omschreven afwijkingen zijn, wat hun aard betreft, de inkomsten die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of daarvan vrijgesteld zijn, dezelfde als die welke inzake personenbelasting worden beoogd; het bedrag ervan wordt vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op winst.

  Art. 184. Het gestorte kapitaal is het deel van het maatschappelijk kapitaal dat werkelijk is gestort, in zover geen verminderingen of terugbetalingen hebben plaatsgevonden. In het kapitaal opgenomen andere winsten dan uitgekeerde winsten die als dusdanig aan belasting werden onderworpen, worden niet als gestort kapitaal aangemerkt.
  (Lid 2 opgeheven) <W 1996-01-30/41, art. 10, 1°, 016; Inwerkingtreding : 30-03-1996>
  (Het gestort kapitaal omvat mede, onder dezelfde voorwaarde en in dezelfde mate als het maatschappelijk kapitaal, de uitgiftepremies.) <W 1998-12-22/36, art. 19, 1°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (Wanneer een bedrijfsafdeling of een algemeenheid van goederen wordt ingebracht onder de voorwaarden voor toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, is het door die inbreng gestorte kapitaal gelijk aan de fiscale nettowaarde die de inbreng had bij de inbrenger.
  Wanneer een Belgische inrichting in een binnenlandse vennootschap wordt ingebracht onder de voorwaarden voor toepassing van artikel 231, § 3, is het door die inbreng gestorte kapitaal gelijk aan de fiscale nettowaarde die, op het ogenblik van de inbreng, de inrichting had bij de inbrenger, na aftrek van :
  1° de voorheen belaste reserves;
  2° de vrijgestelde reserves, andere dan :
  a) de in artikel 44, § 1, 1°, vermelde meerwaarden die waren vrijgesteld;
  b) de in artikel 48 vermelde vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen.) <W 1998-12-22/36, art. 19, 2°, 043; Inwerkingtreding : 30-03-1996>
  (Wordt evenwel, onverminderd de toepassing van artikel 214, § 1, niet als gestort kapitaal aangemerkt, het netto-actief vermeld in artikel 26sexies van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, dat het maatschappelijk kapitaal uitmaakt van een vennootschap met een sociaal oogmerk of dat op een onbeschikbare reserverekening van die vennootschap wordt geboekt. Dat maatschappelijk kapitaal en die reserverekening worden slechts vrijgesteld voor zover is voldaan aan de voorwaarden als vermeld in artikel 190.) <W 1998-12-22/36, art. 19, 3°, 043; Inwerkingtreding : 01-07-1996>
  (Wordt evenwel, onverminderd de toepassing van artikel 210, § 1, 3°, niet als gestort kapitaal aangemerkt, het netto actief vermeld in Hoofdstuk Vquinquies van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, dat het maatschappelijk kapitaal van een handelsvennootschap uitmaakt of dat op een onbeschikbare reserverekening van die vennootschap wordt geboekt. Dat maatschappelijk kapitaal en die reserverekening worden slechts vrijgesteld voor zover voldaan is aan de voorwaarden als vermeld in artikel 190.) <W 1999-05-04/54, art. 12, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Afdeling II. - Belastinggrondslag.

  Art. 185. Vennootschappen zijn belastbaar op het totale bedrag van de winst, uitgekeerde dividenden inbegrepen.

  Art. 186. Wanneer een vennootschap op enige wijze eigen aandelen verkrijgt, wordt als uitgekeerd dividend aangemerkt het positieve verschil tussen de verkrijgingsprijs of, bij ontstentenis daarvan, de waarde van die aandelen, en het gedeelte van het gerevaloriseerde gestorte kapitaal dat de verkregen aandelen vertegenwoordigen.
  In geval de aandelen voor de ontbinding of de invereffeningstelling van de vennootschap worden verkregen onder de voorwaarden gesteld in de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, is het eerste lid slechts van toepassing :
  1° wanneer op de verkregen aandelen waardeverminderingen worden geboekt;
  2° wanneer de aandelen worden vervreemd;
  3° wanneer de aandelen worden vernietigd of van rechtswege nietig worden;
  4° en uiterlijk bij de ontbinding of de invereffeningstelling van de vennootschap.
  In een geval als vermeld in het tweede lid, 1°, is het eerste lid alleen van toepassing tot het bedrag van de geboekte waardeverminderingen.
  In een geval als vermeld in het tweede lid, 2°, is het eerste lid alleen van toepassing tot het mindere verschil tussen de verkoopprijs en de verkrijgingsprijs of de waarde van de aandelen.
  In een geval als vermeld in het tweede lid, 2°, 3° en 4°, wordt het dividend in voorkomend geval verminderd met de in 1° van dat lid bedoelde reeds belaste waardeverminderingen.

  Art. 187. Wanneer het maatschappelijk vermogen van een vennootschap gedeeltelijk wordt verdeeld ten gevolge van overlijden, uittreding of uitsluiting van een vennoot wordt als een uitgekeerd dividend aangemerkt het positieve verschil tussen de uitkeringen of toekenningen in geld, in effecten of in enige andere vorm aan de belanghebbende of zijn rechthebbenden en zijn aandeel in de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal.

  Art. 188. In geval van toepassing van de artikelen 186 en 187 wordt het gestorte kapitaal verminderd met het deel daarvan dat door de verkregen aandelen wordt vertegenwoordigd of met het aandeel in het kapitaal van de overleden, uitgetreden of uitgesloten vennoot.
  Opneming van winst van het boekjaar of van gereserveerde winst die reeds aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, blijft buiten aanmerking bij het bepalen van de belastbare winst tot het bedrag van de in het vorige lid vermelde vermindering die geen aanleiding heeft gegeven tot een werkelijke vermindering van het kapitaal.

  Art. 189. § 1. In coöperatieve verbruiksverenigingen worden als winst aangemerkt de restorno's en voordelen die zijn verleend :
  1° aan vennoten, voor zover restorno's en voordelen voortkomen uit door de belanghebbenden niet zelf gedane aankopen;
  2° aan niet-vennoten.
  § 2. Als coöperatieve verbruiksvereniging wordt aangemerkt die welke rechtstreeks aan de verbruikers verkoopt.
  De voordelen bestaan inzonderheid uit het mindere verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs, verhoogd met het evenredig aandeel der algemene kosten.
  Vennoten zijn uitsluitend leden die volledige maatschappelijke rechten hebben.
  De restorno's en voordelen worden ten name van de coöperatieve vereniging belast en worden bepaald zonder dat rekening wordt gehouden met de algemene uitslag van de onderneming.

  Afdeling III. - Vrijgestelde inkomsten.

  Onderafdeling I. - Meerwaarden.

  Art. 190. <W 1998-12-22/36, art. 20, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1999> Het voor de personenbelasting geldende meerwaardenstelsel, bepaald in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 45, 46, § 1, eerste lid, 2°, en 47, is ook voor vennootschappen van toepassing.
  Met betrekking tot het vrijgestelde of voorlopig niet belaste gedeelte van de meerwaarden vermeld in de artikelen 44, §§ 1 en 3 en 47, is dat meerwaardenstelsel slechts van toepassing in zoverre dat gedeelte op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning.
  De voormelde voorwaarden zijn mede van toepassing op de in artikel 45 en 46, § 1, eerste lid, 2°, vermelde meerwaarden, behalve ingeval die meerwaarden niet worden uitgedrukt overeenkomstig (het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen). <W 2001-07-16/31, art. 11, 086; Inwerkingtreding : 06-02-2001>
  Indien en in zoverre die voorwaarden niet langer worden nageleefd in enig belastbaar tijdperk, wordt het vroeger vrijgestelde of voorlopig niet belaste gedeelte van de meerwaarden als winst van dat belastbare tijdperk beschouwd.

  Art. 191. (De vennootschappen voor huisvesting) die (ingevolge artikel 216, 2°, b,) aan een bijzonder belastingstelsel zijn onderworpen, worden van belasting vrijgesteld op de meerwaarden die zijn verwezenlijkt ter gelegenheid van een overdracht van in België gelegen ongebouwde onroerende goederen. <W 1998-12-22/36, art. 21, 1°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <W 1998-12-22/36, art. 21, 2°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 192. (§ 1.) (Volledig vrijgesteld zijn eveneens de (niet in (artikel 45, § 1, eerste lid en § 2, eerste lid), bedoelde) meerwaarden verwezenlijkt op aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de (artikelen 202, § 1, en 203) van de winst te worden afgetrokken.) <W 1992-12-28/32, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-1994> <KB 1996-12-20/40, art. 21, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <W 1998-12-22/36, art. 22, 1°, 043; Inwerkingtreding : 01-10-1993> <W 1999-03-10/38, art. 48, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  De vrijstelling is slechts van toepassing in zover het belastbare bedrag van de meerwaarden hoger is dan het totaal van de vroeger op de overgedragen aandelen aangenomen waardeverminderingen, verminderd met het totaal van de meerwaarden die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 3°, werden belast.
  (§ 2. Wanneer met betrekking tot verrichtingen als vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, de herbelegging als bedoeld in artikel 47 deel uitmaakt van de inbreng of, in voorkomend geval, wanneer de inbrengverkrijgende vennootschap zich onherroepelijk verbonden heeft die herbelegging te verwezenlijken, wordt het op het ogenblik van de verrichting voorlopig niet belaste gedeelte van de meerwaarde als vermeld in artikel 47, ten name van de vroegere belastingplichtige volledig vrijgesteld, onverminderd de toepassing betreffende die meerwaarde, van de bepalingen van artikel 190 ten name van de inbrengverkrijgende vennootschap. Het boekhoudkundig uitdrukken van die meerwaarde ten name van de inbrengverkrijgende vennootschap blijft zonder invloed op de vaststelling van het resultaat van het belastbaar tijdperk.) <W 1998-12-22/36, art. 22, 2°, 043; Inwerkingtreding : 15-01-1999>

  Art. 193. De in artikel 44, § 2, vermelde vrijstelling op verwezenlijkte meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen van landbouw- of tuinbouwondernemingen is niet van toepassing.

  Onderafdeling II. - Ondernemingen die in België afzettingen van vloeibare of gasachtige koolwaterstoffen ontginnen.

  Art. 194. § 1. In ondernemingen die in België afzettingen van vloeibare of gasachtige koolwaterstoffen ontginnen, zijn de sommen die door opneming op de jaarlijkse winst worden gebruikt voor het aanleggen van een voorziening vrijgesteld in zover dat zij niet meer bedragen dan 50 pct. van de belastbare winst uit de verkoop, in ruwe staat of na veredeling van de produkten gewonnen uit in België ontgonnen lagen.
  De vrijstelling wordt slechts behouden indien de op de datum van afsluiting van een bepaald boekjaar aangelegde voorziening binnen 5 jaar na die datum in de onderneming in België van de belastingplichtige wordt belegd in beroepsimmobiliën en -uitrusting of in deelnemingen in binnenlandse vennootschappen.
  Ingeval één of andere van deze voorwaarden niet wordt uitgevoerd of nageleefd, wordt het niet belegde gedeelte van de voorziening beschouwd als een belastbare winst van het boekjaar waarin die voorwaarde diende te worden nageleefd.
  § 2. De Koning bepaalt de wijze waarop de bepalingen van § 1 worden toegepast.

  Onderafdeling III. - (Technische voorzieningen van verzekeringsondernemingen). <Ingevoegd bij W 1999-05-04/54, art. 13, § 1; Inwerkingtreding : 22-06-1999>

  Art. 194bis. <Ingevoegd bij W 1999-05-04/54, art. 13, § 2; Inwerkingtreding : 22-06-1999> Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald door de Koning worden de technische voorzieningen bedoeld in artikel 16, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen vrijgesteld.

  Afdeling IV. - Vaststelling van het netto-inkomen.

  Onderafdeling I. - Beroepskosten.

  Art. 195. § 1. (Bedrijfsleiders) worden voor de toepassing van de bepalingen inzake beroepskosten met werknemers gelijkgesteld en hun bezoldigingen en de ermede verband houdende sociale lasten worden als beroepskosten aangemerkt. <KB 1996-12-20/40, art. 22, 1°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Stortingen van sociale verzekering of voorzorg, zomede de in artikel 52, 3°, b, vermelde bijdragen voor aanvullende verzekering zijn slechts aftrekbaar in zover zij betrekking hebben op bezoldigingen die regelmatig en ten minste om de maand worden betaald of toegekend voor het einde van het belastbare tijdperk waarin de ertoe aanleiding gevende bezoldigde werkzaamheden zijn verricht en mits zij door de vennootschap op de resultaten van dat tijdperk worden aangerekend.
  § 2. Behalve indien de overeenkomsten enkel voorzien in voordelen bij overlijden, worden premies van levensverzekeringen betreffende overeenkomsten die in het voordeel van de vennootschap op het hoofd van (bedrijfsleiders) zijn gesloten, met de in § 1, tweede lid, vermelde bijdragen gelijkgesteld. <KB 1996-12-20/40, art. 22, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Om het aftrekbare deel van de premies te bepalen, komen uitsluitend de in § 1, tweede lid, omschreven bezoldigingen in aanmerking.

  Art. 196. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, criteria en normen stellen om te bepalen in hoeverre de kosten betreffende autovoertuigen die ter beschikking van (bedrijfsleiders en van) leden van het directiepersoneel worden gesteld, moeten worden aangemerkt als kosten die op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen. <KB 1996-12-20/40, art. 23, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 197. <W 1999-05-04/54, art. 14, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999> Niet-verantwoorde kosten en verdoken meerwinsten, die ingevolge artikel 219 aan de afzonderlijke aanslag worden onderworpen, worden als beroepskosten aangemerkt.

  Art. 198. Als beroepskosten worden niet aangemerkt :
  1° (de vennootschapsbelasting, met inbegrip van de ingevolge artikel 219bis verschuldigde afzonderlijke aanslagen, de in mindering van de vennootschapsbelasting gestorte sommen en de roerende voorheffing die de schuldenaar van het inkomen met miskenning van artikel 261, tot ontlasting van de verkrijger heeft gedragen, doch met uitzondering van de ingevolge artikel 219 verschuldigde afzonderlijke aanslag;) <W 1999-05-04/54, art. 15, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  2° (de belasting en de aanvullende belasting op de deelnames die ten laste van de schuldenaar van het inkomen vallen ter ontlasting van de verkrijger der inkomsten bedoeld in artikel 113 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;) <W 2001-05-22/33, art. 26, 083; Inwerkingtreding : onbepaald>
  3° verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot de vennootschapsbelasting en de voorheffingen (,met uitzondering van de onroerende voorheffing); <W 1993-07-22/30, art. 5, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  4° (...) de jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen vermeld in artikel 183bis van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen; <W 1992-07-28/30, art. 17, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  5° (...) <W 1998-12-22/36, art. 23, 1°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  6° de bijzondere taks op kasbons in het bezit van de financiële tussenpersonen, bedoeld in de artikelen 201/3 tot 201/9 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen;
  7° waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen, behoudens minderwaarden op aandelen geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap tot ten hoogste het (verlies aan) gestorte kapitaal dat door die aandelen wordt vertegenwoordigd. <W 1994-07-06/33, art. 28, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  (8° de uitzonderlijke taks op de stortingen bestemd voor het lange termijnsparen vermeld in artikel 183duodecies van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.) <W 1992-07-28/30, art. 17, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (9° de bijzondere taks op de gereserveerde winsten van bepaalde kredietinstellingen bedoeld in artikel 1 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.) <W 1993-12-27, art. 7; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  (10° onverminderd de toepassing van artikel 55, de interest, tot een bedrag gelijk aan dat van de krachtens de artikelen 202 tot 204 aftrekbare dividenden verkregen uit aandelen door een vennootschap welke die aandelen, op het ogenblik van hun overdracht, niet gedurende een ononderbroken periode van minstens een jaar heeft behouden.
  (11° onverminderd de toepassing van de artikelen 54, 55 en het 10° hiervoor, de betaalde of toegekende interesten van leningen wanneer de werkelijke verkrijger ervan niet onderworpen is aan een inkomstenbelasting of, voor die inkomsten, onderworpen is aan een aanzienlijk gunstigere aanslagregeling dan die welke voortvloeit uit de bepalingen van gemeen recht van toepassing in België en indien, en in de mate van die overschrijding, het totale bedrag van deze leningen, andere dan obligaties of andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen, hoger is dan zeven maal de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk;) <KB 1996-12-20/40, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (12° de deelnames in het kapitaal of in de winst, evenals de deelnames toegekend aan de werknemers in het kader van een investeringsspaarplan, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen.) <W 2001-05-22/33, art. 26, 083; Inwerkingtreding : onbepaald>
  (Uitsluitend voor de toepassing van het eerste lid, 7°, worden, in afwijking van artikel 184, toch als gestort kapitaal aangemerkt, de verminderingen van gestort kapitaal die voorheen zijn gedaan om geleden verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren of om een reserve tot dekking van een voorzienbaar verlies te vormen waarmede het geleden verlies boekhoudkundig is aangezuiverd.) <W 1998-12-22/36, art. 23, 2°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Het eerste lid, 10°, is evenwel niet van toepassing op de aandelen in verbonden vennootschappen of in vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat, zelfs al hebben die aandelen de aard van geldbeleggingen, noch op de andere aandelen die onder de financiële vaste activa zijn opgenomen.) <W 1995-12-20/31, art.11 , 014; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (Voor de toepassing van het eerste lid, 7° en 10°, wordt een lening van aandelen als vermeld in artikel 18, eerste lid, 3°, niet als een vervreemding aangemerkt.) <W 1999-03-10/38, art. 49, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>

  Onderafdeling II. - Aftrek van vrijgestelde inkomsten.

  Art. 199. <W 1998-12-22/36, art. 24, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Met uitzondering van de in (artikel 21, 5°, 6° en 10°, vermelde) inkomsten en van de in artikel 104, 5°, b, vermelde giften in de vorm van kunstwerken worden, bij het bepalen van het belastbare inkomen, krachtens dit Wetboek of krachtens bijzondere wettelijke bepalingen vrijgestelde inkomsten die begrepen zijn in de winst van het belastbare tijdperk, van die winst afgetrokken. <W 1999-03-26/30, art. 63, 047; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 200. Het percentage van 10 pct. en het maximumbedrag van (250.000 EUR) die inzake aftrekbare giften zijn vermeld in artikel 109, worden respectievelijk op 5 pct. en op (500.000 EUR) gebracht. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 201. <W 1992-07-28/30, art. 18; Inwerkingtreding : 01-01-1993 en 27-03-1992> (In de gevallen als vermeld in artikel 69, § 1, eerste lid, 1°), wordt de investeringsaftrek als volgt vastgesteld : <W 1999-05-04/54, art. 16, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  1° met betrekking tot binnenlandse vennootschappen waarvan de aandelen voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen, en die geen deel uitmaken van een groep waartoe een coördinatiecentrum behoort als vermeld in het koninklijk besluit nr 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van de coördinatiecentra, is het percentage van de aftrek gelijk aan de percentsgewijs uitgedrukte stijging van het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk voor het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, waaraan het belastbare tijdperk is verbonden waarin de investering is verricht, ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van het eraan voorafgaande jaar, afgerond tot de hogere of lagere eenheid naargelang de breuk al dan niet 50 pct. bedraagt en verhoogd met 1 percentpunt, maar het aldus verkregen percentage mag niet minder dan 3 pct. noch meer dan 10 pct. bedragen; dat percentage is slechts van toepassing op de eerste schijf van (5.000.000 EUR) investeringen per belastbaar tijdperk; <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° met betrekking tot de niet in 1° vermelde vennootschappen is het percentage van de aftrek dat vermeld in 1°, doch teruggebracht tot 0.
  Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het percentage van de investeringsaftrek vermeld in het eerste lid, 1° alsmede het in het eerste lid, 2°, vermelde percentage, in zover het tot 0 wordt teruggebracht, verhogen.
  De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit artikel genomen besluiten.
  Het bedrag van (5.000.000 EUR), vermeld in het eerste lid, 1°, wordt jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. Die aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988. Bij de berekeningen zijn de bepalingen van artikel 178, § 2, tweede en derde lid, van toepassing. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Onderafdeling III. - Aftrekken van de belastbare winst.

  Art. 202. (§ 1.) Van de winst van het belastbare tijdperk worden mede afgetrokken, in zover zij erin voorkomen : <KB 1996-12-20/40, art. 25, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  1° dividenden met uitzondering (...) van inkomsten die zijn verkregen naar aanleiding van de afstand aan een vennootschap van haar eigen aandelen of naar aanleiding van de gehele of gedeeltelijke verdeling van het vermogen van een vennootschap; <W 1992-07-28/30, art. 19; Inwerkingtreding : 27-03-1992>
  2° in zover het een dividend betreft waarop de artikelen 186, 187 of 209 of gelijkaardige bepalingen naar buitenlands rechts zijn toegepast, het positieve verschil tussen de verkregen sommen of de waarde van de ontvangen bestanddelen en de aanschaffings- of beleggingsprijs van de aandelen die worden verkregen, terugbetaald of geruild door de vennootschap die ze had uitgegeven, eventueel verhoogd met de desbetreffende voorheen uitgedrukte en niet vrijgestelde meerwaarden;
  3° inkomsten uit preferente aandelen van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
  4° inkomsten uit Belgische overheidsfondsen of leningen van voormalig Belgisch-Kongo die zijn uitgegeven met vrijstelling van Belgische zakelijke en personele belastingen of van elke belasting;
  5° inkomsten uit effecten van leningen tot herfinanciering van de leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij of door het Amortisatiefonds van de leningen voor de sociale huisvesting. (Deze bepaling geldt slechts voor de leningen toegestaan bij de koninklijke besluiten van 25 november 1986, 5 december 1986, 9 maart 1987, 27 april 1957 en 18 juni 1987.) <W 1995-03-22/34, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (§ 2. De in § 1, 1° en 2°, vermelde inkomsten zijn slechts aftrekbaar in zoverre op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van deze inkomsten, de vennootschap die de inkomsten verkrijgt in het kapitaal van de vennootschap die ze uitkeert, een deelneming bezit van ten minste 5 pct. of met een aanschaffingswaarde van ten minste (1.200.000 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Deze voorwaarde is evenwel niet van toepassing op de inkomsten :
  1° die worden verkregen door kredietinstellingen vermeld in artikel 56, § 1;
  2° die worden verkregen door verzekeringsondernemingen vermeld in artikel 56, § 2, 2°, h;
  3° die worden verkregen door beursvennootschappen vermeld in artikel 47 van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs;
  4° die worden verkregen door beleggingsvennootschappen;
  5° die worden verleend of toegekend door intercommunales beheerst door de wet van 22 december 1986;
  6° die worden verleend of toegekend door beleggingsvennootschappen.) <KB 1996-12-20/40, art. 25, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (Voor de toepassing van het eerste lid wordt een lening van aandelen als vermeld in artikel 18, eerste lid, 3°, niet als een vervreemding aangemerkt.) <W 1999-03-10/38, art. 50, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>

  Art. 203. <KB 1996-12-20/40, art. 26, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997> § 1. De in artikel 202, § 1, 1° en 2°, vermelde inkomsten zijn bovendien niet aftrekbaar wanneer ze worden verleend of toegekend door :
  1° een vennootschap die niet aan de vennootschapsbelasting of aan een buitenlandse belasting van gelijke aard als die belasting is onderworpen of die gevestigd is in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België;
  2° een financieringsvennootschap, een thesaurievennootschap of een beleggingsvennootschap die, alhoewel ze in het land van haar fiscale woonplaats onderworpen is aan een in 1° vermelde belasting, in dat land een belastingregeling geniet die afwijkt van het gemeen recht;
  3° een vennootschap voor zover de inkomsten die ze verkrijgt, niet zijnde dividenden, hun oorsprong vinden buiten het land van haar fiscale woonplaats en ze in het land van de fiscale woonplaats een afzonderlijke belastingregeling genieten die afwijkt van het gemeen recht;
  4° een vennootschap voor zover ze winsten verwezenlijkt door tussenkomst van een of meer buitenlandse inrichtingen die aan een aanslagregeling zijn onderworpen die aanzienlijk gunstiger is dan deze waaraan die winsten in België zouden zijn onderworpen;
  5° een vennootschap, andere dan een beleggingsvennootschap, die dividenden wederuitkeert die in toepassing van het 1° tot 4°, zelf niet zouden kunnen worden afgetrokken ten belope van ten minste 90 pct.
  (De in artikel 202, § 1, eerste lid, 1° en 2°, vermelde inkomsten die vergoedingen voor ontbrekende coupon vertegenwoordigen als vermeld in artikel 18, eerste lid, 3°, zijn eveneens niet aftrekbaar.) <W 1999-03-10/38, art. 51, 1°, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  § 2. Paragraaf 1, 1°, is niet van toepassing op dividenden die worden verleend of toegekend door intercommunales beheerst door de wet van 22 december 1986.
  Paragraaf 1, 2°, is niet van toepassing op de beleggingsvennootschappen waarvan de statuten de jaarlijkse uitkering voorzien van ten minste 90 pct. van de inkomsten die ze hebben verkregen, na aftrek van de bezoldigingen, commissies en kosten, voor zover en in de mate dat die inkomsten voortkomen uit dividenden die zelf beantwoorden aan de in § 1, 1° tot 4°, vermelde aftrekvoorwaarden of uit meerwaarden die ze hebben verwezenlijkt op aandelen die (krachtens artikel 192, § 1,) voor vrijstelling in aanmerking komen. <W 1998-12-22/36, art. 25, 1°, 043; Inwerkingtreding : 15-01-1999>
  Paragraaf 1, 2° en 5°, is niet van toepassing op verkregen dividenden wegens een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming in een financieringsvennootschap gelegen in een Lidstaat van de Europese Unie die, voor de aandeelhouder, beantwoordt aan (rechtmatige financiële of economische behoeften), voor zover en in de mate dat de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestort kapitaal bij het einde van dit tijdperk van de financieringsvennootschap niet hoger is dan 33 pct. van de schulden. <W 1998-12-22/36, art. 25, 2°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Paragraaf 1, 4°, is niet van toepassing in de mate dat de winsten voortkomen uit een buitenlandse inrichting van een binnenlandse vennootschap die is gevestigd in een land waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten of indien de daadwerkelijk in het buitenland geheven belasting op de winsten van de inrichting ten minste 15 pct. bedraagt.
  Paragraaf 1, 5°, is niet van toepassing wanneer de vennootschap die wederuitkeert :
  1° een binnenlandse vennootschap is of een buitenlandse vennootschap, gevestigd in een land waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft ondertekend en die er is onderworpen aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht, en waarvan de aandelen (zijn opgenomen in de notering aan een effectenbeurs) van een Lidstaat van de Europese Unie onder de voorwaarden van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979 (79/279/EEG) tot coördinatie van de voorwaarden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs, of van een derde Staat waarvan de wetgeving minstens gelijkwaardige toelatingsvoorwaarden voorziet; <W 1999-05-04/54, art. 17, 1°, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  2° een vennootschap is waarvan de verkregen inkomsten uitgesloten werden van het recht op aftrek dat door dit artikel in België wordt geregeld of door een maatregel met gelijkwaardige uitwerking naar buitenlands recht.
  (Lid 6 opgeheven) <W 1999-05-04/54, art. 17, 2°, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (§ 1, tweede lid, is niet van toepassing :
  1° hetzij wanneer de schuldenaar van de ontbrekende coupon :
  - een binnenlandse vennootschap is, een rechtspersoon is vermeld in artikel 220, 2° of 3°, of een belastingplichtige is vermeld in artikel 227, 2° of 3° waarop de bepalingen van respectievelijk artikel 240, tweede lid, of 234, 5°, van toepassing zijn;
  - een buitenlandse vennootschap is die wat deze vergoeding betreft, onderworpen is aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder een belastingstelsel te genieten dat afwijkt van het gemeen recht;
  2° hetzij wanneer de transactie die aanleiding heeft gegeven tot deze vergoeding, integraal wordt afgewikkeld door middel van een betalings- en afwikkelingssysteem gereglementeerd door de bevoegde autoriteit van een gereglementeerde markt zoals bedoeld in de richtlijn 93/22/EEG betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten of een systeem van een niet-Lid-Staat van de Europese Gemeenschap waarvan de wetgeving minstens in gelijkwaardige werkingsvoorwaarden voorziet en door de Minister van Financiën is erkend. De Koning bepaalt met betrekking tot deze vergoeding, de erkenningsvoorwaarden waaraan dit systeem moet voldoen en de periode gedurende dewelke de erkenning kan worden verleend.) <W 1999-03-10/38, art. 51, 2°, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  § 3. Voor de toepassing van § 1, 5°, en onverminderd § 2, worden de dividenden die rechtstreeks of onrechtstreeks worden verleend of toegekend door de in § 1, 1° en 2°, bedoelde vennootschappen, geacht niet aan de aftrekvoorwaarden te beantwoorden.

  Art. 204. <KB 1996-12-20/40, art. 27, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997> De ingevolge artikel 202, § 1, 1°, 3° en 4°, aftrekbare inkomsten worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 95 pct. van het geïnde of verkregen bedrag eventueel vermeerderd met de roerende voorheffing of de fictieve roerende voorheffing of, met betrekking tot in artikel 202, § 1, 4° en 5°, vermelde inkomsten verminderd met de aan de verkoper toegekende interest ingeval de effecten in het belastbare tijdperk zijn verworven.
  Het in artikel 202, § 1, 2°, vermelde bedrag wordt geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 95 pct. van dat bedrag.

  Art. 205. § 1. Geen aftrek ingevolge artikel 202 wordt verleend ter zake van inkomsten uit activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt in inrichtingen waarover de belastingplichtige in het buitenland beschikt en waarvan de winst krachtens internationale overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting is vrijgesteld.
  § 2. (De aftrek ingevolge artikel 202 wordt beperkt tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk dat overblijft na toepassing van artikel 199, verminderd met :
  1° de niet als beroepskosten aftrekbare giften, met uitzondering van de giften die in toepassing van de artikelen 199 en 200 van de winst worden afgetrokken;
  2° de in artikel 53, 6° tot 11° en 14°, vermelde kosten;
  3° de interesten, retributies en bezoldigingen als bedoeld in artikel 54;
  4° de niet-aftrekbare interesten als bedoeld in artikel 55;
  5° de werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood en de ermede gelijkgestelde premies van bepaalde levensverzekeringen, in zoverre die bijdragen en premies niet voldoen aan de voorwaarden en de grens gesteld in de artikelen 59 en 195, alsmede de pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen voor zover die sommen niet voldoen aan de voorwaarden en de grens gesteld in artikel 60;
  6° 25 pct. van de kosten en de minderwaarden met betrekking tot het gebruik van in artikel 66 vermelde personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, met uitzondering van de brandstofkosten;
  7° de als winst aan te merken restorno's zoals bedoeld in artikel 189, § 1;
  8° de taksen als bedoeld in artikel 198, eerste lid, 4°, 8° en 9°.) <KB 1996-12-20/40, art. 28, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Onderafdeling IV. - Vorige Verliezen.

  Art. 206. <W 1993-08-06/32, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-1993> § 1. Vorige beroepsverliezen worden achtereenvolgens van de winst van elk volgende belastbare tijdperk afgetrokken.
  (...) <W 1995-04-04/39, art. 4, 1°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  § 2. Wanneer een vennootschap de inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen heeft verkrijgen of een andere vennootschap door fusie of splitsing geheel of gedeeltelijk heeft overgenomen (met toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 2° en derde lid), of van artikel 211, § 1, zijn de beroepsverliezen die de overnemende of verkrijgen vennootschap voor die inbreng of die overneming heeft geleden slechts definitief aftrekbaar naar verhouding tot het evenredige aandeel van de fiscale nettowaarde van de overnemende of verkrijgende vennootschap voor de verrichting in het totaal van de fiscale nettowaarden van die vennootschap en van de ingebrachte of overgenomen bestanddelen, eveneens voor de verrichting. <W 1998-12-22/36, art. 26, 043; Inwerkingtreding : 02-01-1995>
  In geval van fusie met toepassing van artikel 211, § 1, zijn de beroepsverliezen die een overgenomen vennootschap voor die fusie heeft geleden bij de overnemende vennootschap bij voortduur aftrekbaar naar verhouding tot het evenredige aandeel van de fiscale nettowaarde van de overgenomen bestanddelen van de eerstgenoemde vennootschap voor de fusie in het totaal van de fiscale nettowaarden, eveneens voor de fusie, van de overnemende vennootschap en van de overgenomen bestanddelen. In geval van splitsing met toepassing van artikel 211, § 1, geldt de vorenstaande regel op het gedeelte van het bedoelde beroepsverlies dat is bepaald naar verhouding van de fiscale nettowaarde van de overgenomen bestanddelen in de totale fiscale nettowaarde van de overgenomen vennootschap.
  (§ 3. In afwijking van de §§ 1 en 2, mogen de vorige beroepsverliezen in geen geval worden afgetrokken van de winst van het belastbare tijdperk, noch van enig ander later belastbaar tijdperk, wanneer het gemiddelde van de omzet en de financiële opbrengsten die zijn geboekt tijdens de boekjaren welke verbonden zijn met de drie vorige belastbare tijdperken, minder bedraagt dan 5 pct. van het gemiddelde van het totaal bedrag van de activa, zoals dat voorkomt in de jaarrekeningen van die boekjaren.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt, in plaats van de omzet en de financiële opbrengsten, in aanmerking genomen :
  1° wanneer het vennootschappen betreft onderworpen aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, het totale bedrag van de rente-opbrengsten en soortgelijke opbrengsten, de opbrengsten van niet-vastrentende effecten, de ontvangen provisies en de overige bedrijfsopbrengsten;
  2° wanneer het in artikel 56, § 2, 2°, h, vermelde verzekeringsondernemingen betreft, het totale bedrag van de brutopremies en de opbrengsten van beleggingen.) <W 1995-04-04/39, art. 4, 2°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1996>

  Onderafdeling V. - Gemene bepalingen betreffende de in artikelen 199 tot 206 omschreven aftrekken.

  Art. 207. De Koning regelt de wijze waarop de in de artikelen 199 tot 206 bepaalde aftrekken worden verricht.
  Geen aftrek mag worden verricht op het gedeelte van de winst dat voorkomt van abnormale of goedgunstige voordelen vermeld in artikel 79, noch op de grondslag van de bijzondere afzonderlijke aanslag op niet verantwoorde kosten ingevolge artikel 219 (noch op het gedeelte van de winst dat bestemd is voor de uitgavan bedoeld in artikel 198, eerste lid, 12°). <W 2001-05-22/33, art. 27, 083; Inwerkingtreding : onbepaald>
  (In geval van verwerving of van wijziging tijdens het belastbaar tijdperk van de controle van een vennootschap die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, zijn, noch aftrekbaar van de winst van dat tijdperk, noch van deze van enig later belastbaar tijdperk :
  - in afwijking van artikel 72, de niet-verleende investeringsaftrek wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken welke voorafgaan aan eerstgenoemd tijdperk;
  - in afwijking van artikel 206, de vorige beroepsverliezen.) <KB 1996-12-20/40, art. 29, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Afdeling V. - Ontbinding en vereffening.

  Art. 208. Vennootschappen in vereffening blijven aan de vennootschapsbelasting onderworpen volgens de bepalingen van de artikelen 183 tot 207.
  Hun winst bevat mede de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld naar aanleiding van de verdeling van hun vermogen.

  Art. 209. Wanneer het maatschappelijk vermogen van een vennootschap wordt verdeeld ten gevolge van ontbinding of om enige andere reden, wordt als een uitgekeerd dividend aangemerkt het positieve verschil tussen de uitkeringen in geld, in effecten of in enige andere vorm, en de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal.
  De uitkeringen worden geacht achtereenvolgens voort te komen :
  1° eerst uit de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal;
  2° vervolgens uit de voorheen gereserveerde winst die reeds aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld naar aanleiding van de verdeling van het vermogen inbegrepen;
  3° en ten slotte uit de voorheen vrijgestelde winst.
  Wanneer de verdeling van het maatschappelijk vermogen trapsgewijze plaatsvindt, wordt het eerste lid toegepast telkens wanneer een verdeling het verschil overtreft tussen, eensdeels, het bedrag van het bij de ontbinding gestorte kapitaal, gerevaloriseerd volgens de coëfficiënten van toepassing op de datum van die verdeling en, anderdeels, de vroegere verdelingen na revalorisatie daarvan volgens de coëfficiënten die op dezelfde datum van toepassing zijn voor de jaren waarin die verdelingen hebben plaatsgehad.

  Art. 210. (§ 1. De artikelen 208 en 209 zijn mede van toepassing :
  1° bij fusie door overneming, bij fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, bij splitsing door overneming, bij splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen, bij gemengde splitsing of bij met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting;
  1°bis bij met fusie of splitsing gelijkgestelde verrichting, zonder dat alle overdragende vennootschappen ophouden te bestaan;
  2° bij ontbinding zonder verdeling van het maatschappelijk vermogen, anders dan in de gevallen als vermeld onder 1° en 1°bis;
  3° bij het aannemen van een andere rechtsvorm, behalve in de gevallen als vermeld in de artikelen 774 tot 787 van het Wetboek van vennootschappen;
  4° bij het overbrengen van de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer naar het buitenland;
  5° bij de erkenning door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen als vennootschap met vast kapitaal voor belegging in onroerende goederen of in niet genoteerde aandelen.
  § 2. In de in § 1 vermelde gevallen, wordt de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen op de datum waarop de bedoelde verrichtingen hebben plaatsgevonden, gelijkgesteld met een bij verdeling van maatschappelijk vermogen uitgekeerde som.
  § 3. In afwijking van § 1, zijn de bepalingen van de artikelen 208 en 209 in geval van met splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in § 1, 1°bis, niet van toepassing op het maatschappelijk vermogen dat ingevolge de verrichting niet door de overdragende vennootschap wordt overgedragen.
  In dat geval wordt de gelijkstelling met een bij verdeling van maatschappelijk vermogen uitgekeerde som als bedoeld in § 2, beperkt tot de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen dat ten gevolge van de verrichting bij de verkrijgende vennootschap is ingebracht.
  Voor de toepassing van artikel 209, tweede lid, 1°, wordt met betrekking tot dergelijke verrichting het gestorte kapitaal van de overdragende vennootschap bepaald naar verhouding tot het evenredige aandeel van de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen dat ingevolge de verrichting bij de verkrijgende vennootschap is ingebracht, in het totaal van de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen van de overdragende vennootschap, vóór de verrichting.
  Opneming van winst van het boekjaar of van gereserveerde winst die reeds aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, wordt niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de belastbare winst tot het bedrag van de overeenkomstig het vorige lid op het gestorte kapitaal aan te rekenen uitkering die geen aanleiding heeft gegeven tot een werkelijke vermindering van het kapitaal.
  § 4. Bij fusie door overneming, bij fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, bij splitsing door overneming, bij splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen, bij gemengde splitsing en bij met splitsing gelijkgestelde verrichting, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en van het koninklijk besluit tot uitvoering van dat Wetboek, wordt ten name van de overnemende of verkrijgende vennootschap :
  ,- het door de inbreng gestorte kapitaal geacht overeen te stemmen met de werkelijke waarde van het maatschappelijk vermogen bedoeld in § 2 of in § 3, tweede lid, dat bij deze vennootschap is ingebracht, voor zover de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven;
  - de aanschaffingswaarde van de ingebrachte bestanddelen geacht overeen te stemmen met de werkelijke waarde die zij hadden bij de overgenomen of gesplitste vennootschap op de datum waarop de verrichting heeft plaatsgevonden.) <W 2001-07-16/31, art. 12, 086; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 211. <W 1993-08-06/32, art. 3; Inwerkingtreding : 01-10-1993> § 1. (In geval van fusie, splitsing of met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 210, § 1, 1°, en in geval van met splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 210, § 1, 1°bis) : <W 2001-07-16/31, art. 13, 086; Inwerkingtreding : 06-02-2001>
  1° (komen de meerwaarden als vermeld in de artikelen 44, § 1, 1°, en 47, die op het ogenblik van de verrichting zijn vrijgesteld, de kapitaalsubsidies vermeld in artikel 362, die op het ogenblik van de verrichting nog niet als winst worden aangemerkt, alsmede de meerwaarden die naar aanleiding van die verrichting worden verwezenlijkt of vastgesteld, niet in aanmerking voor belastingheffing ingevolge artikel 208, tweede lid, of artikel 209;) <W 1998-12-22/36, art. 28, 1°, 043; Inwerkingtreding : 15-01-1999>
  2° blijft belastingheffing ingevolge artikel 209 voor het overige achterwege voor zover de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen die daartoe worden uitgegeven.
  Het eerste lid is slechts van toepassing op voorwaarde dat :
  1° de overnemende of de verkrijgende vennootschap een binnenlandse vennootschap is;
  2° de verrichting wordt verwezenlijkt overeenkomstig de bepalingen van (het Wetboek van vennootschappen); <W 2001-07-16/31, art. 13, 086; Inwerkingtreding : 06-02-2001>
  3° de verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
  (Het eerste lid is evenmin van toepassing op verrichtingen waaraan een door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen erkende vennootschap met vast kapitaal voor belegging in onroerende goederen of in niet genoteerde aandelen deelneemt.) <W 1997-04-16/35, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 02-06-1997>
  § 2. In de in § 1, eerste lid, vermelde gevallen wordt het bedrag van het gestorte kapitaal, en van de voorheen gereserveerde winst van de overgenomen of gesplitste vennootschap, ten name van de overnemende of verkrijgende vennootschap verminderd met het gedeelte van de inbreng dat niet wordt vergoed met nieuwe aandelen die naar aanleiding van de verrichting worden uitgegeven.
  De vermindering wordt eerst aangerekend op de belaste reserves, daarna, indien die reserves ontoereikend zijn, op de vrijgestelde reserves en ten slotte op het gestorte kapitaal.
  In zover de inbrengen niet worden vergoed omdat de overnemende of verkrijgende vennootschappen in het bezit zijn van aandelen van de overgenomen of gesplitste vennootschap wordt, in afwijking van het tweede lid, de vermindering verhoudingsgewijs aangerekend op het gestorte kapitaal en de reserves, waarbij de vermindering van de reserves bij voorrang op de belaste reserves wordt aangerekend.
  (Geen enkele vermindering wordt aangerekend op de in § 1, eerste lid, 1°, vermelde meerwaarden en kapitaalsubsidies, noch op de in artikel 48 vermelde vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen die als dusdanig in de boekhouding van de overnemende of verkrijgende vennootschappen worden teruggevonden.) <W 1998-12-22/36, art. 28, 4°, 043; Inwerkingtreding : 15-01-1999>
  De vermindering van het gestorte kapitaal wordt geacht te zijn gedaan op de datum van de in § 1, eerste lid, vermelde verrichting.

  Art. 212. <W 1993-08-06/32, art. 4; Inwerkingtreding : 01-10-1993> In gevallen als vermeld in artikel 211 worden de afschrijvingen, investeringsaftrekken, (kapitaalsubsidies,) minderwaarden of meerwaarden die bij de overnemende of verkrijgende vennootschappen met betrekking tot de bij hen ingebrachte bestanddelen in aanmerking worden genomen en het gestorte kapitaal bepaald alsof de fusie of de splitsing niet had plaatsgevonden. <W 1998-12-22/36, art. 29, 1°, 043; Inwerkingtreding : 15-01-1999>
  In dezelfde gevallen blijven de bepalingen van dit Wetboek op de wijze en onder de voorwaarden als daarin zijn gesteld, van toepassing op de waardeverminderingen, voorzieningen, onder- en overwaarderingen, (kapitaalsubsidies), vorderingen, meerwaarden en reserves die bij de overgenomen of gesplitste vennootschappen bestonden, in zover die bestanddelen worden teruggevonden in de activa van de overnemende of verkrijgende vennootschappen; de fusie of splitsing mag niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke termijn voor herbelegging van de aan die voorwaarden onderworpen meerwaarden wordt verlengd. <W 1998-12-22/36, art. 29, 2°, 043; Inwerkingtreding : 15-01-1999>
  (Voor de toepassing van dit Wetboek worden de in artikel 211, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde meerwaarden die naar aanleiding van die verrichting worden verwezenlijkt of vastgesteld, geacht niet te zijn verwezenlijkt.) <W 1998-12-22/36, art. 29, 3°, 043; Inwerkingtreding : 01-10-1993>

  Art. 213. <W 1993-08-06/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-10-1993> Bij het bepalen van het gestort kapitaal en van de voorheen gereserveerde winst die in geval van splitsing bij elk van de overnemende of verkrijgende vennootschappen in aanmerking worden genomen, en bij het bepalen van de in artikel 211, § 2, vermelde vermindering, worden die vennootschappen geacht het gestorte kapitaal, de belaste reserves en de vrijgestelde reserves van de gesplitste vennootschap evenredig met de fiscale nettowaarde van de door deze laatste aan elk van hen gedane inbreng te hebben overgenomen of verkregen.
  (In geval van met splitsing gelijkgestelde verrichting bedoeld in artikel 211, § 1, wordt voor de toepassing van dit Wetboek, de overdragende vennootschap, al naargelang van het geval, aangemerkt hetzij als gesplitste vennootschap, hetzij als overnemende of verkrijgende vennootschap.) <W 2001-07-16/31, art. 14, 086; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 214. <W 1999-05-04/54, art. 18, 056; Inwerkingtreding : 18-12-1998> § 1. Behoudens wanneer een binnenlandse vennootschap wordt omgezet in een landbouwvennootschap die niet voor de heffing van de vennootschapsbelasting heeft gekozen, en niettegenstaande het bepaalde van artikel 210, § 1, 3°, blijft belastingheffing ingevolge de artikelen 208 en 209 achterwege bij het aannemen van een andere rechtsvorm, wanneer de waardering van de activa- en passivabestanddelen, met inbegrip van het kapitaal en de reserves, geen wijziging ondergaat naar aanleiding van de verrichting. Artikel 212 is van toepassing op de aldus omgezette vennootschappen.
  Artikel 212 is mede van toepassing ingeval vennootschappen die zijn opgericht in een der vormen bepaald in het Wetboek van koophandel, met vrijstelling van belasting zijn omgezet vóór de inwerkingtreding van de wet van 23 februari 1967 tot wijziging, wat de omzetting van vennootschappen betreft, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.
  § 2. Artikel 212 zoals het bestaat na de wet van 22 december 1998, houdende fiscale en andere bepalingen, is mede van toepassing in geval van fusie of splitsing van vennootschappen die vóór 1 oktober 1993 met vrijstelling van belasting hebben plaatsgevonden.
  § 3. Voor de toepassing van de artikelen 212 en 213 worden de fusies, splitsingen en omzettingen, alsmede de inbreng van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen waarin de overgenomen, gesplitste of omgezette vennootschappen voorheen met vrijstelling van belasting hebben deelgenomen, geacht niet te hebben plaatsgevonden.

  HOOFDSTUK III. - Berekening van de belasting.

  Afdeling I. - Gewoon stelsel van aanslag.

  Onderafdeling I. - Belastingtarief.

  Art. 215. Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt 39 pct.
  Wanneer het belastbare inkomen niet meer dan (323.750 EUR) bedraagt, wordt de belasting evenwel als volgt vastgesteld : <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° op de schijf van 0 tot (25.000 EUR) : 28 pct.; <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° op de schijf van (25.000 EUR) tot (89.500 EUR) : 36 pct.; <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° op de schijf van (89.500 EUR) tot (323.750 EUR) : 41 pct. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Het tweede lid is niet van toepassing :
  1° (op vennootschappen, andere dan door de Nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, die aandelen bezitten waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 pct., hetzij van de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal, hetzij van het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden. In aanmerking komen de waarde van de aandelen en het bedrag van het gestorte kapitaal, de reserves en de meerwaarden op de dag waarop de vennootschap die de aandelen bezit haar jaarrekening heeft opgesteld. Om te bepalen of de grens van 50 pct.
  overschreden is, worden de aandelen, die ten minste 75 pct. vertegenwoordigen van het gestorte kapitaal van de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven, niet in aanmerking genomen;) <W 1998-12-22/36, art. 31, 1°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  2° op vennootschappen waarvan de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen voor ten minste de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen en die geen door de Nationale raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen zijn;
  3° op vennootschappen waarvan de dividenduitkering hoger is dan 13 pct. van het gestorte kapitaal bij het begin van het belastbare tijdperk, (...). <W 1992-07-28/30, art. 22, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  4° (op vennootschappen, andere dan door de Nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk niet aan ten minste één van hun bedrijfsleiders een bezoldiging hebben toegekend die gelijk is aan of hoger is dan het belastbare inkomen van de vennootschap, wanneer die bezoldiging minder bedraagt dan (24.500 EUR);) <W 1998-12-22/36, art. 31, 2°, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1994> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  5° op vennootschappen die deel uitmaken van een groep waartoe een coördinatiecentrum behoort als vermeld in het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra;) <W 1992-12-28/32, art. 10, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  (6° op vennootschappen waarvan het inkomen, vóór aftrek van de beroepskosten, niet ten belope van ten minste 50 pct. wordt getrokken uit nijverheids-, handels- of landbouwactiviteiten, die winst opbrengen als vermeld in artikel 24.) <W 1993-07-22/30, art. 6; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  (Lid 4 opgeheven) <W 1998-12-22/36, art. 31, 3°, 043; Inwerkingtreding : 25-01-1999>

  Art. 216. <W 1992-12-28/32, art. 35; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt :
  1° 21,5 pct. voor de Belgische dienst voor bedrijfsleven en landbouw;
  (1°bis 19,5 pct. voor wat de belastbare bedragen betreft bij een in de artikelen 210, § 1, 5° en 211, § 1 , derde lid, vermelde verrichting); <W 1994-12-21/31, art. 103, 006; Inwerkingtreding : 02-01-1995>
  2° (5 pct :
  a) voor de plaatselijke handelsvennootschappen en de gewestelijke of beroepsverenigingen van die vennootschappen, die tot uitvoering van het statuut van de N.V. Beroepskrediet krediet voor ambachtsoutillage mogen verstrekken;
  b) (voor vennootschappen voor huisvesting zijnde de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de Société régionale wallonne du logement, de Brusselse gewestelijke Huisvestingsmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij en de door hen erkende maatschappijen, de coöperatieve vennootschappen " Woningfonds van de Bond der kroostrijke gezinnen van België ", " Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen ", " Fonds du logement des familles nombreuses de Wallonie " en " Woningfonds van de gezinnen van het Brusselse Gewest ", zomede door het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waals Gewest erkende vennootschappen, die uitsluitend tot doel hebben leningen toe te staan voor het bouwen, het aankopen of het inrichten van sociale woningen, kleine landeigendommen of daarmede gelijkgestelde woningen, of voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair.) <W 1999-05-04/54, art. 19, B, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Onderafdeling II. - Vermindering voor inkomsten uit het buitenland.

  Art. 217. Tot een vierde wordt verminderd het gedeelte van de belasting dat evenredig overeenstemt met inkomsten van in het buitenland gelegen onroerende goederen en met in het buitenland behaalde en belaste winst, met uitzondering van inkomsten van roerende goederen en kapitalen gebruikt in inrichtingen waarover de vennootschap in België beschikt.

  Onderafdeling III. - Vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan.

  Art. 218. De belasting berekend overeenkomstig de artikelen 215 tot 217 wordt eventueel vermeerderd zoals vermeld in de artikelen 157 tot 168, ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan.
  In afwijking van de artikelen 160 en 165, vinden de beperking van de vermeerdering tot 90 pct. en de verhoging van de berekeningsgrondslag tot 106 pct. van de Rijksbelasting evenwel geen toepassing.

  Afdeling II. - (Afzonderlijke aanslagen). <W 1999-05-04/54, art. 20; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Art. 219. (Een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op kosten vermeld in artikel 57, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden.) <W 1999-05-04/54, art. 21, A), 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  Die aanslag is gelijk aan (300 pct.) van die kosten. <W 1994-03-30/39, art. 15, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (Als verdoken meerwinsten worden niet aangemerkt, de reserves als bedoeld in artikel 24, eerste lid, 2° tot 4°.) <W 1999-05-04/54, art. 21, B), 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Art. 219bis. <Ingevoegd bij W 1999-05-04/54, art. 22; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Ten name van de kredietverenigingen en van de maatschappijen voor onderlinge borgstelling die lid zijn van het net van het beroepskrediet en van de kredietkassen erkend door de N.V. Landbouwkrediet, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit dat net, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning.
  Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk deze vereniging, maatschappij of kas wordt uitgesloten of ontslag neemt uit het net van het beroepskrediet, of tijdens hetwelk de erkenning wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan van de erkenning.
  Die aanslag is gelijk aan 34 % van het totaal bedrag van de belaste reserves zoals die bestonden op het einde van de belastbare periode verbonden aan het aanslagjaar 1993.
  § 2. Ten name van de vennootschappen als vermeld in artikel 216, 2°, a, en van de vennootschappen als bedoeld in artikel 216, 2°, b, erkend hetzij door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de Société régionale wallonne du logement, de Brusselse gewestelijke Huisvestingsmaatschappij of de Vlaamse Landmaatschappij, hetzij door het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waals Gewest, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit het net van het beroepskrediet, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning.
  Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de vennootschap of vereniging wordt uitgesloten of ontslag neemt uit het net van het beroepskrediet of tijdens hetwelk de erkenning van de vennootschap wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan van de erkenning.
  Die aanslag is gelijk aan 34 % van het totaal bedrag van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk.
  § 3. Ten name van de vennootschappen als bedoeld in artikel 216, 2°, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd op de dividenduitkering.
  Die aanslag is gelijk aan 34 % van die dividenduitkering.
  <NOTA : Voor de aanslagjaren 1999 tot 2001, wordt artikel 219bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd door artikel 22 van de W 1999-05-04/54, vervangen door de volgende bepaling :
  " § 2. Ten name van de vennootschappen als vermeld in artikel 216, 2°, a, en van de vennootschappen als bedoeld in artikel 216, 2°, b, erkend hetzij door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de Société régionale wallonne du logement, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij of de Vlaamse Landmaatschappij, hetzij door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Bank, hetzij door het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waals Gewest, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit het net van het beroepskrediet, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning.
  Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de vennootschap of vereniging wordt uitgesloten of ontslag neemt uit het net van het beroepskrediet of tijdens hetwelk de erkenning van de vennootschap wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan van de erkenning.
  Die aanslag is gelijk aan 34 % van het totaal bedrag van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk.
  In afwijking van het eerste lid is de aanslag wat de in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschappen betreft, niet verschuldigd wanneer een door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Bank niet meer erkende vennootschap met ingang van de datum van de intrekking of afstand van haar erkenning, opnieuw erkend wordt door het bevoegde gewest. ". (W 1999-05-04/54, art. 47, § 1)>

  TITEL IV. - Rechtspersonenbelasting.

  HOOFDSTUK I. - Aan de belasting onderworpen rechtspersonen.

  Art. 220. Aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen :
  1° de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (...) en de openbare kerkelijke instellingen; <W 1994-07-06/33, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 26-07-1994>
  2° de rechtspersonen die ingevolge artikel 180, niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen;
  3° de rechtspersonen die in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, of ingevolge artikel 181 en 182, niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen.

  HOOFDSTUK II. - Grondslag van de belasting.

  Art. 221. De aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen zijn uitsluitend belastbaar ter zake van :
  1° het kadastraal inkomen van hun in België gelegen onroerende goederen, wanneer dit kadastraal inkomen niet van onroerende voorheffing is vrijgesteld ingevolge artikel 253 of ingevolge bijzondere wettelijke bepalingen;
  2° (inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, met inbegrip van de in (artikel 21, 5°, 6° en 10°, vermelde) eerste inkomstenschijven, evenals in artikel 90, 5° tot 7°, vermelde diverse inkomsten.) <W 1998-12-22/36, art. 33, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 1999-03-26/30, art. 64, 047; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 222. (NOTA : Artikel 222 werd vervangen door artikel 31 van KB 1996-12-20/40. Dit artikel 31, vernietigd door het Arbitragehof, wordt ingetrokken bij W 1999-05-04/54, art. 45, §3, 058; Inwerkingtreding : 01-01-1998) De in artikel 220, 3° vermelde rechtspersonen zijn eveneens belastbaar ter zake van :
  1° de inkomsten van hun in het buitenland gelegen onroerende goederen, behalve indien het onroerende goederen betreft waarvan het kadastraal inkomen zou vrijgesteld zijn van onroerende voorheffing indien die goederen in België gelegen waren; het belastbare bedrag van die inkomsten wordt vastgesteld overeenkomstig de artikel 7 tot 11 en 13;
  2° het deel van het nettobedrag van de huurprijs en de huurvoordelen van in België gelegen onroerende goederen dat meer bedraagt dan het kadastraal inkomen van die goederen, behoudens indien het betreft :
  - goederen verhuurd aan een natuurlijke persoon die die goederen noch geheel noch gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid;
  - goederen verhuurd overeenkomstig de pachtwetgeving en die door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt;
  - andere goederen mits de huurder geen winstoogmerken nastreeft en die goederen worden gebruikt voor een van de bestemmingen vermeld in artikel 12, § 1;
  het belastbare bedrag van die inkomsten wordt eveneens vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7 tot 11 en 13;
  3° de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten betreffende in België of in het buitenland gelegen onroerend goed, behoudens de uitzonderingen vermeld in 2°; het belastbare bedrag van die sommen wordt eveneens vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7 tot 11 en 13;
  4° de meerwaarden op in België gelegen ongebouwde onroerende goederen of zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen die naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel als vermeld in artikel 90, 8°, worden verwezenlijkt; het belastbare bedrag van die meerwaarden wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 101 en 103, § 2;
  5° de meerwaarden op belangrijke deelnemingen die naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel vermeld in artikel 90, 9°, worden verwezenlijkt; het belastbare bedrag van die meerwaarden wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 102.
  (5° de vergoedingen toegekend voor ontbrekende coupon als vermeld in artikel 18, eerste lid, 3°.) <W 1999-03-10/38, art. 52, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  (6° de meerwaarden op in België gelegen gebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen die naar aanleiding van een in artikel 90, 10°, vermelde overdracht onder bezwarende titel worden verwezenlijkt; het belastbaar bedrag van die meerwaarden wordt overeenkomstig de artikelen 101, §§ 2 en 3, en 103, § 3, vastgesteld.) <W 1999-05-04/54, art. 23, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1998>

  Art. 223. (NOTA : Artikel 223 werd vervangen door artikel 32 van KB 1996-12-20/40. Dit artikel 32 wordt ingetrokken bij W 1999-05-04/54, art. 45, §3, 058; Inwerkingtreding : 01-01-1997) De rechtspersonen vermeld in artikel 220, 2° en 3°, zijn eveneens belastbaar ter zake van :
  1° kosten als vermeld in de artikelen 57 en 195, § 1, eerste lid, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave;
  2° de werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood en de pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, respectievelijk vermeld in artikel 52, 3°, b en 5°, in zover ze niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 59.
  (9° de vergoedingen toegekend voor ontbrekende coupon als vermeld in artikel 18, eerste lid, 3°.) <W 1999-03-10/38, art. 53, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>

  Art. 224. De intercommunales beheerst door de wet van 22 december 1986 zijn eveneens belastbaar op het totale bedrag van de sommen toegekend als dividenden aan enige vennootschap of andere rechtspersoon, met uitzondering van die toegekend aan de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten (en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn), alsmede aan andere intercommunales beheerst door voornoemde wet. <W 1994-07-06/33, art. 31, 004; Inwerkingtreding : 26-07-1994>
  Het eerste lid is niet van toepassing op de door de betrokken intercommunales toegekende dividenden met betrekking tot activiteiten die onderworpen zijn aan de bijzondere aanslag als vermeld in artikel 35 van de wet van 28 december 1990 of die verband houden met de openbare verdeling van elektriciteit.

  HOOFDSTUK III. - Berekening van de belasting.

  Art. 225. (NOTA : Artikel 225 werd vervangen door artikel 33 van KB 1996-12-20/40. Dit artikel 33 wordt ingetrokken bij W 1999-05-04/54, art. 45, §3, 058; Inwerkingtreding : 01-01-1997) De belasting met betrekking tot in artikel 221 vermelde inkomsten is gelijk aan de onroerende en roerende voorheffing.
  De belasting wordt berekend :
  1° (tegen het tarief van 39 % op in de artikelen 222, 1°, 2°, 4° en 5°, en 223, 4° en 9, vermelde bijdragen, pensioenen, renten, toelagen, kosten, minderwaarden en vergoedingen;) <W 1999-03-10/38, art. 54, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  2° tegen het tarief van 33 pct. of van 16,5 pct. op in artikel 222, 4°, vermelde meerwaarden, volgens het onderscheid in artikel 171, 1°, b, en 4°, d;
  3° tegen het tarief van 16,5 pct. (op in artikel 222, 5° en 6°), vermelde meerwaarden; <W 1999-05-04/54, art. 24, 058; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  4° tegen het tarief van (300 pct.) op niet verantwoorde kosten vermeld in artikel 223, 1°; W 1994-03-30/39, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  5° tegen het tarief van 39 pct. op in artikel 223, 2°, vermelde bijdragen, pensioenen, renten en toelagen;
  6° tegen het tarief van 15 pct. op in artikel 224 vermelde dividenden.

  Art. 226. (NOTA : Artikel 226 werd vervangen door artikel 34 van KB 1996-12-20/40. Dit artikel 34 wordt ingetrokken bij W 1999-05-04/54, art. 45, §3, 058; Inwerkingtreding : 01-01-1998) De belasting op de dividenden vermeld in artikel 224, wordt vermeerderd zoals bepaald in artikel 218, ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen als vermeld in dat artikel zijn gedaan.

  TITEL V. - Belasting van niet-inwoners.

  HOOFDSTUK I. - Aan de belasting onderworpen personen.

  Art. 227. Aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen :
  1° niet-rijksinwoners, met inbegrip van de in artikel 4 vermelde personen;
  2° (buitenlandse vennootschappen, zomede verenigingen, instellingen of lichamen zonder rechtspersoonlijkheid die zijn opgericht in een rechtsvorm die vergelijkbaar is met de rechtsvorm van een vennootschap naar Belgisch recht en die hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer niet in België hebben;) <KB 1996-12-20/40, art. 35, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  3° vreemde Staten, staatkundige onderdelen en plaatselijke gemeenschappen daarvan, alsmede alle rechtspersonen die hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer niet in België hebben en geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden of zich zonder winstoogmerk uitsluitend met in artikel 182, vermelde verrichtingen bezighouden.

  HOOFDSTUK II. - Grondslag van de belasting.

  Afdeling I. - Belastbare inkomsten.

  Art. 228. § 1. De belasting wordt uitsluitend geheven van in België verkregen inkomsten die aan de belasting zijn onderworpen.
  § 2. In die inkomsten zijn begrepen :
  1° de inkomsten van in België gelegen onroerende goederen;
  2° de inkomsten van roerende goederen en kapitalen ten laste van een rijksinwoner, van een vennootschap, vereniging, instelling of lichaam met maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België, van de Belgische Staat of de staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen daarvan, van een inrichting waarover een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner in België beschikt, zomede de inkomsten van dezelfde aard ten laste van een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner wanneer zij in België worden verkregen;
  3° winst opgebracht door bemiddeling van Belgische inrichtingen als vermeld in artikel 229, (met inbegrip van de vastgestelde of verwezenlijkte meerwaarden op zulke inrichtingen of op hun activabestanddelen) alsmede winst die zelfs zonder bemiddeling van zulke inrichtingen voortkomt : <W 1992-07-28/30, art. 23, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  a) uit de vervreemding of de verhuring van in België gelegen onroerende goederen of uit de vestiging (of de overdracht) van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten; <W 1992-07-28/30, art. 23, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  b) uit in België gedane verrichtingen van buitenlandse verzekeraars die er gewoonlijk andere contracten dan herverzekeringscontracten inzamelen;
  c) (...) <W 1992-07-28/30, art. 23, 3°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  d) (uit werkzaamheden uitgeoefend door een in artikel 227, 2°, vermelde niet-inwoner in een inrichting waarover een andere in artikel 227, 2°, vermelde niet-inwoner in België beschikt, of uit de uitoefening door die niet-inwoner van een opdracht of van functies in de zin van artikel 32, eerste lid, 1°, in een binnenlandse vennootschap;) <KB 1996-12-20/40, art. 36, 1°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  e) (uit de hoedanigheid van vennoot in vennootschappen, samenwerkingsverbanden of verenigingen die krachtens artikel 29, § 2, worden geacht verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid te zijn;) <W 1998-12-22/36, art. 34, 043; Inwerkingtreding : 01-08-1995>
  4° de baten als vermeld in artikel 23, § 1, 2°, die voortkomen uit een in België uitgeoefende werkzaamheid;
  5° winst en baten die betrekking hebben op een vorige zelfstandige beroepswerkzaamheid die in België werd uitgeoefend door de verkrijger of door de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is;
  6° de in artikel 23, § 1, 4° en 5°, vermelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen, ten laste :
  a) van een rijksinwoner;
  b) van een binnenlandse vennootschap of van een vereniging, instelling of lichaam met maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België;
  c) van de Belgische Staat, Gemeenschappen, Gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten en gemeenten;
  d) van een inrichting waarover een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner in België beschikt;
  7° bezoldigingen als vermeld in artikel 23, § 1, 4°, ten late van een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner uit hoofde van een in België uitgeoefende werkzaamheid door een verkrijger die er in een belastbaar tijdperk gedurende meer dan 183 dagen verblijft;
  (8° inkomsten van welke aard ook, uit een in België door een podiumkunstenaar of een sportbeoefenaar persoonlijk en als zodanig verrichte werkzaamheid, zelfs indien de inkomsten niet worden toegekend aan de podiumkunstenaar of aan de sportbeoefenaar zelf, maar aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon.) <W 1992-07-28/30, art. 23, 4°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (9° diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, 1° tot 10°, ingeval het betreft :) <KB 1996-12-20/40, art. 36, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  a) in België behaalde of verkregen winst of baten;
  b) prijzen, subsidies, renten of pensioenen ten laste van Belgische openbare machten of openbare instellingen;
  c) onderhoudsuitkeringen ten laste van rijksinwoners;
  d) inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen of plaatsen
  e) loten betreffende in België uitgegeven effecten van leningen;
  f) opbrengsten uit de verhuring in België van het jacht, vis- of vogelvangstrecht;
  g) meerwaarden verwezenlijkt op in België gelegen ongebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen;
  h) meerwaarden verwezenlijkt op aandelen in binnenlandse vennootschappen, behalve in zover de meerwaarden niet belastbaar zijn ingevolge artikel 95.
  (i) meerwaarden verwezenlijkt op in België gelegen gebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen.) <KB 1996-12-20/40, art. 36, 3°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 229. § 1. Voor de toepassing van artikel 228, § 2, 3°, betekent de uitdrukking "Belgische inrichting" elke vaste inrichting met behulp waarvan de beroepswerkzaamheden van een buitenlandse onderneming geheel of gedeeltelijk in België worden uitgeoefend.
  Een vaste inrichting vormt in het bijzonder :
  1° een plaats waar leiding wordt gegeven;
  2° een filiaal;
  3° een kantoor;
  4° een fabriek;
  5° een werkplaats;
  6° een agentuur;
  7° een mijn, een steengroeve of enige andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen;
  8° een bouw- of constructiewerk waarvan de duur een ononderbroken periode van 30 dagen overschrijdt;
  9° een opslagplaats;
  10° een goederenvoorraad.
  § 2. Een Belgische inrichting is eveneens de vertegenwoordiger, niet zijnde een onafhankelijke tussenhandelaar optredend in het normale kader van zijn activiteit, die in België werkzaam is voor een niet-inwoner als bedoeld in artikel 227, zelfs wanneer de vertegenwoordiger geen machtiging bezit om namens die niet-inwoner overeenkomsten te sluiten.
  § 3. (Iedere vennoot of ieder lid van een burgerlijke vennootschap of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer in België heeft of die in de zin van artikel 228, § 2, 3° of 4°, in België inkomsten behaalt of verkrijgt, wordt geacht, volgens het geval, voor de toepassing van artikel 228, § 2, 3°, over een Belgische inrichting te beschikken of, voor de toepassing van artikel 228, § 2, 4°, persoonlijk in België werkzaamheden uit te oefenen.) <W 1992-07-28/30, art. 24; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Afdeling II. - Vrijgestelde inkomsten.

  Art. 230. Vrijgesteld zijn :
  1° inkomsten van roerende goederen en kapitalen niet zijnde dividenden, waarvan de schuldenaar een rijksinwoner is, een binnenlandse vennootschap of een vereniging, instelling of lichaam met maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België, wanneer die inkomsten worden toegerekend op de resultaten van een inrichting waarover de schuldenaar in het buitenland beschikt en door de verkrijger niet in België worden verkregen;
  2° (de inkomsten van buitenlandse roerende waarden die werden gedeponeerd in België en de inkomsten bekomen als gevolg van transacties met die waarden, wanneer die bewaargevingen en die transacties voldoen aan de voorwaarden bepaald door de Minister van Financiën en voor zover de bewaargever die waarden niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België gebruikt.) <W 1993-08-06/31, art. 17; Inwerkingtreding : onbepaald>
  3° bezoldigingen vermeld in artikel 23, § 1, 4°, waarvan de schuldenaar, niet zijnde de Belgische Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, in België aan de personenbelasting, aan de vennootschapsbelasting, of aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen, in zover zij een door de verkrijger in het buitenland uitgeoefende werkzaamheid bezoldigen en op de resultaten van een in het buitenland gelegen inrichting worden toegerekend;
  4° bezoldigingen die in artikel 4, 1°, bedoelde personen verkrijgen in hun hoedanigheid;
  5° diverse inkomsten als vermeld in (artikel 228, § 2, 9°), verkregen door vreemde Staten of door staatkundige onderdelen daarvan, zomede door inrichtingen, instellingen of andere rechtspersonen zonder winstoogmerk naar buitenlands publiek recht. <W 1992-07-28/30, art. 25; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 231. (§ 1.) Op voorwaarde van wederkerigheid zijn vrijgesteld : <W 1992-07-28/30, art. 26; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  1° inkomsten van onroerende goederen die een vreemde Staat heeft bestemd voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden;
  2° bezoldigingen die ten laste van in België geaccrediteerde buitenlandse diplomatieke en consulaire zendingen of van de hoofden van die zendingen worden verkregen door hun personeelsleden die de Belgische nationaliteit niet bezitten, en bezoldigingen die ten laste van een vreemde staat of van een staatkundig onderdeel of plaatselijke gemeenschap daarvan of van een buitenlands publiekrechtelijk lichaam worden verkregen door personen als bedoeld in artikel 4, 3°;
  3° winst die een niet in artikel 228, § 2, 3°, b, vermelde buitenlandse onderneming in België verkrijgt uit verrichtingen door bemiddeling van een vertegenwoordiger die er enkel de bestellingen van de cliënteel inzamelt en ze aan de onderneming doet toekomen zonder deze te verbinden, of uit de exploitatie van schepen of vliegtuigen waarvan zij eigenares of bevrachtster is en die België aandoen.
  (§ 2. Wanneer een Belgische inrichting behoort tot de goederen die naar aanleiding van een fusie, een splitsing of een inbreng van één of meer bedrijfstakken of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen door een vennootschap van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen met vrijstelling van inkomstenbelasting worden ingebracht, zijn de naar aanleiding van deze verrichting vastgestelde meerwaarden op die Belgische inrichting of op haar activa-bestanddelen eveneens vrijgesteld voor zover die inrichting of die activa-bestanddelen in België behouden blijven.
  (Het eerste lid is niet van toepassing wanneer een door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen erkende vennootschap met vast kapitaal voor belegging in onroerende goederen of in niet genoteerde aandelen heeft deelgenomen aan voormelde verrichting.) <W 1997-04-16/35, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 02-06-1997>
  In het geval als vermeld in het eerste lid, worden bij de Belgische inrichting van de verkrijgende, overnemende of nieuwe vennootschap, de afschrijvingen, investeringsaftrekken, minderwaarden of meerwaarden bepaald alsof die verrichting niet had plaatsgevonden.
  Volens de wijze en onder de voorwaarden die daarin zijn gesteld, blijven de bepalingen van dit Wetboek van toepassing op de bij de ingebrachte inrichting bestaande waardeverminderingen, voorzieningen, onderwaarderingen, overwaarderingen, subsidies, vorderingen, meerwaarden en reserves, alsof die inbreng niet had plaatsgevonden.
  In de gevallen als vermeld in artikel 47, kan de gedane inbreng niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke wederbeleggingstermijn wordt verlengd.) <W 1992-07-28/30, art. 26; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (§ 3. Vrijgesteld zijn de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld ter gelegenheid van de inbreng van een Belgische inrichting in een binnenlandse vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen.
  (Lid 2 opgeheven) <W 1998-12-22/36, art. 35, 043; Inwerkingtreding : 25-01-1999>
  Het bedrag van de voorheen bij de Belgische inrichting gereserveerde winst, wordt ten name van de binnenlandse vennootschap bepaald alsof de inbrengverrichting niet had plaatsgevonden.
  De ten name van de binnenlandse vennootschap in aanmerking te nemen afschrijvingen, investeringsaftrekken, minderwaarden of meerwaarden op de door de Belgische inrichting afgestane activa worden bepaald alsof deze laatste niet van eigenaar waren veranderd.
  Het bepaalde in de artikelen 44, 45, 47, 48 en 361 tot 363 blijft van toepassing op de bij de Belgische inrichting bestaande meerwaarden, waardeverminderingen, voorzieningen, onderwaarderingen, overwaarderingen, subsidies en vorderingen in zover die bestanddelen als dusdanig worden teruggevonden in de boekhouding van de binnenlandse vennootschap.
  In de gevallen vermeld in artikel 47, kan de inbrengverrichting niet tot gevolg hebben dat de oorspronkelijke herbeleggingstermijn wordt verlengd.) <W 1996-01-30/41, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 30-03-1996>

  HOOFDSTUK III. - Samenvoeging van sommige inkomsten.

  Afdeling I. - Maatstaf van belastingheffing.

  Art. 232. Voor belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 1°, wordt de belasting gevestigd :
  1° op het totale bedrag van hun inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, wanneer die belastingplichtigen inkomsten verkrijgen uit verhuurde onroerende goederen of uit de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten;
  2° op het totale bedrag van hun (inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, van hun in België verkregen beroepsinkomsten en van de in artikel 228, § 2, 9°, h vermelde meerwaarden), wanneer zij : <W 1992-07-28/30, art. 27, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  a) in België over één of meer inrichtingen beschikken vermeld in artikel 229;
  b) in België inkomsten verkrijgen als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, a en e, 4°, 5°, 6°, 7° (en 9°, h). <W 1992-07-28/30, art. 27, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (In de gevallen als vermeld in het eerste lid, 1°, wordt de belasting evenwel niet gevestigd wanneer het totale bedrag van de inkomsten van onroerende goederen lager is dan (2.500 EUR).) <W 1992-07-28/30, art. 27, 3°; Inwerkingtreding : 01-01-1993> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 233. (Voor belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 2°, wordt de belasting gevestigd op het totale bedrag van de winst, opgebracht door bemiddeling van Belgische inrichtingen, en de in artikel 228, § 2, 3°, a en e, vermelde winst die zonder bemiddeling van zulke inrichtingen is opgebracht.) <W 1992-07-28/30, art. 28; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (Daarenboven wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd op de niet-verantwoorde kosten en op de verdoken meerwinsten als vermeld in artikel 219.) <W 1999-05-04/54, art. 25, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Art. 234. Voor belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 3°, wordt de belasting gevestigd :
  1° op het deel van het nettobedrag van de huurprijs en de huurvoordelen van in België gelegen onroerende goederen dat meer bedraagt dan het kadastraal inkomen van die goederen, behoudens indien het betreft :
  - goederen verhuurd aan een natuurlijke persoon die die goederen noch geheel noch gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid;
  - goederen verhuurd overeenkomstig de pachtwetgeving en die door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt;
  - andere goederen mits de huurder geen winstoogmerken nastreeft en die goederen worden gebruikt voor een van de bestemmingen vermeld in artikel 12, § 1;
  2° op de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten met betrekking tot een in België gelegen onroerend goed, behoudens de uitzonderingen vermeld in het 1°;
  3° op de werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood, de pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen als vermeld in artikel 52, 3°, b, en 5°, in zover die niet voldoen aan het bepaalde in artikel 59;
  4° op de kosten vermeld in artikel 57, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave.
  (5° op de vergoeding toegekend voor ontbrekende coupon als vermeld in artikel 18, eerste lid, 3°.) <W 1999-03-10/38, art. 55, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>

  Afdeling II. - Vaststelling van het nettobedrag van de samen te voegen inkomsten.

  Art. 235. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 236 tot 240, wordt het nettobedrag van de belastbare inkomsten bepaald volgens de regels die van toepassing zijn :
  1° op de personenbelasting voor de belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 1°, zoals deze regels voorkomen in de artikelen 7 tot 103, maar met uitzondering van artikel 16 wanneer deze belastingplichtigen in België geen tehuis hebben behouden gedurende het gehele belastbare tijdperk;
  2° op de vennootschapsbelasting voor de belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 2°, zoals deze regels voorkomen in de artikelen 183, 190 tot 208;
  3° op de rechtspersonenbelasting voor de belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 3°, zoals deze regels voorkomen in de artikelen 221 tot 224.

  Art. 235bis. <Ingevoegd bij W 1994-07-06/33, art. 33; Inwerkingtreding : 01-01-1995> De in artikel 14, eerste lid, 2°, vermelde termijnen en de waarde van ermee gelijkgestelde lasten zijn enkel aftrekbaar voor zover ze betrekking hebben op een in België gelegen onroerend goed.

  Art. 236. (Opgeheven) <W 1996-01-30/41, art. 10, 2°, 016; Inwerkingtreding : 30-03-1996>

  Art. 237. Voor aftrek als beroepskosten komen alleen in aanmerking de kosten die uitsluitend op de overeenkomstig de artikelen 228 tot 231 in België belastbare beroepsinkomsten drukken.

  Art. 238. Voor de toepassing van artikel 53, 2°, of (artikel 198, eerste lid, 1°), wordt de belasting van niet-inwoners naar het geval gelijkgesteld met de personenbelasting of met de vennootschapsbelasting. <W 1998-12-22/36, art. 36, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1996>

  Art. 239. De bijzondere afzonderlijke aanslag ingevolge artikel 233, tweede lid, is als beroepskost aftrekbaar.

  Art. 240. Ten name van vennootschappen, verenigingen, instellingen of lichamen vermeld in artikel 227, 2°, omvat de belastbare winst het totale bedrag van de in België verkregen inkomsten met als enige aftrek uit hoofde van in artikel 195 vermelde beroepskosten, de bezoldigingen en de erop betrekking hebbende sociale lasten, die worden toegerekend op de resultaten van een inrichting waarover die belastingplichtigen in België beschikken, wegens de in die inrichting uitgeoefende werkzaamheden.
  (Ten name van de in het eerste lid vermelde vennootschappen, is de vergoeding toegekend voor ontbrekende coupon als vermeld in artikel 18, eerste lid, 3°, niet als beroepskosten aftrekbaar.) <W 1999-03-10/38, art. 56, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  (Ten name van de in het eerste lid vermelde vennootschappen is het percentage van de investeringsaftrek (in de gevallen als vermeld in artikelen 69, § 1, eerste lid, 1°), gelijk aan dat vermeld in artikel 201, eerste lid, 2°.) <W 1992-07-28/30, art. 29; ED : 27-03-1992> <W 1999-05-04/54, art. 26, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Afdeling III. - Aftrekbare bestedingen.

  Art. 241. Van het totale bedrag van de in artikel 232 vermelde netto-inkomsten zijn alleen aftrekbaar :
  1° 80 pct. van de in (artikel 104), 1° en 2°, vermelde onderhoudsuitkeringen of als zodanig geldende kapitalen, voor zover de verkrijger van de uitkering een rijksinwoner is; <W 1994-07-06/33, art. 85, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  2° giften betaald aan de Belgische instellingen vermeld in (artikel 104, 3°, a tot j, 4°, 4°bis en 5°); <W 1998-12-22/36, art. 37, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  3° (...) <W 1994-07-06/33, art. 34, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Art. 242. (§ 1. In afwijking van artikel 241, doch met uitzondering van de in artikel 104, 1° en 2°, vermelde uitkeringen tot onderhoud, wanneer de verkrijger van de uitkering geen rijksinwoner is, zijn de in titel II, hoofdstuk II, afdeling VI, vermelde uitgaven aftrekbaar :
  1° wanneer de belastingplichtige gedurende het gehele belastbare tijdperk in België een tehuis heeft behouden;
  2° wanneer de belastingplichtige in België belastbare beroepsinkomsten als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, a, b en e, en 4° tot 7°, heeft behaald of verkregen, die ten minste 75 pct. bedragen van het geheel van zijn binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten.) <W 1996-01-30/41, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  (§ 2. De in artikel 241 en in § 1 vermelde uitgaven zijn slechts aftrekbaar onder de (in artikelen 104 tot 116) bepaalde voorwaarden en grenzen.) <W 1992-07-28/30, art. 30; Inwerkingtreding : 01-01-1993> <W 1994-07-06/33, art. 35, 2°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  HOOFDSTUK IV. - Berekening van de belasting.

  Art. 243. In gevallen vermeld in artikel 232 vinden de bepalingen van de artikelen 86 tot 89 geen toepassing en wordt de belasting berekend volgens de belastingschaal vermeld in artikel 130 (...). <W 1992-07-28/30, art. 31, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (Op de overeenkomstig het vorige lid berekende belasting worden de verminderingen genoemd in de artikelen 146 tot 154 verleend binnen de perken en onder de voorwaarden bepaald in die artikelen en met inachtneming van het geheel van de binnenlandse en de buitenlandse inkomsten, onder voorbehoud van de volgende afwijkingen :
  1° de in artikel 147, 1°, 5° en 7°, vermelde bedragen worden vervangen door het bedrag van 2 392,67 EUR;
  2° het in artikel 147, 3°, vermelde bedrag wordt vervangen door het bedrag van 3 482,78 EUR;
  3° het in artikel 147, 9°, vermelde bedrag wordt vervangen door het bedrag van 2 774,10 EUR.) <W 2001-08-10/63, art. 45, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en het inkomen geheel of gedeeltelijk uit werkloosheidsuitkeringen of uit brugpensioenen nieuw stelsel bestaat, worden de vermindering voor die werkloosheidsuitkeringen en de vermindering voor die brugpensioenen nieuw stelsel, die overeenkomstig het vorige lid zijn berekend, voor beide echtgenoten samen slechts éénmaal verleend.) <W 2001-08-10/63, art. 45, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (De artikelen 126 tot 129, 145.1., 1° tot 4°, 145.2. tot 145.7., (145.17. tot 145.23)., 157 tot 169 en 171 tot 178 zijn eveneens van toepassing.) <W 1994-07-06/33, art. 36, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1993> <W 1994-12-21/31, art. 97, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Art. 244. <W 1996-01-30/41, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 01-01-1992> In afwijking van artikel 243 wordt de belasting berekend volgens de regels bepaald in titel II, hoofdstuk III en met inachtneming van de artikelen 86 tot 89 en 126 tot 129, met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen 86 tot 89 en 146 tot 154, het geheel van de binnenlandse en buitenlandse inkomsten in aanmerking wordt genomen :
  1° wanneer de belastingplichtige gedurende het volledige belastbare tijdperk in België een tehuis heeft behouden;
  2° wanneer de belastingplichtige in België belastbare beroepsinkomsten als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, a, b en e, en 4° tot 7°, heeft behaald of verkregen, die ten minste 75 pct. bedragen van het geheel van zijn binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten.

  Art. 244bis. <Ingevoegd bij W 1992-12-28/32, art. 13; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Voor de toepassing van de artikelen 243 en 244 (is er geen aanleiding tot een gemeenschappelijke aanslag van de echtgenoten) wanneer slechts één van de echtgenoten in België aan de belasting onderworpen inkomsten verkrijgt en de andere echtgenoot (binnenlandse beroepsinkomsten die bij overeenkomst zijn vrijgesteld of buitenlandse beroepsinkomsten) heeft van meer dan (6.700 EUR). <W 1994-07-06/33, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <W 2001-08-10/63, art. 46, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  De toeslagen voor personen ten laste die vermeld zijn in de artikelen 132 en 133, worden slechts verleend wanneer de aan de belasting onderworpen echtgenoot de meeste beroepsinkomsten heeft. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 245. De belasting gevestigd ingevolge de artikelen 243 en 244 wordt verhoogd met zes opcentiemen ten bate van de Staat, berekend op de wijze als bepaald in artikel 466.

  Art. 246. In gevallen vermeld in artikel 233 :
  1° (onverminderd de toepassing van artikel 218, wordt de belasting berekend volgens de tarieven en regels bepaald in artikel 215, met dien verstande dat, met betrekking tot de in dat artikel 215, tweede en derde lid, 4°, vastgestelde regels, alleen de winst vermeld in artikel 233, eerste lid, in aanmerking wordt genomen;) <W 1998-12-22/36, art. 38, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  2° (wordt de afzonderlijke aanslag op niet-verantwoorde kosten en op verdoken meerwinsten berekend tegen 300 %). <W 1999-05-04/54, art. 27, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (In het in artikel 231, § 2, tweede lid, vermelde geval, wordt de belasting berekend tegen het in artikel 216, 1°bis, bepaalde tarief, onverminderd de toepassing van artikel 218;) <W 1994-12-21/31, art. 105, 006; Inwerkingtreding : 02-01-1995>

  Art. 247. In gevallen vermeld in artikel 234 wordt de belasting berekend :
  1° tegen het tarief van 20 pct. van de inkomsten vermeld in artikel 234, 1° en 2°;
  2° (tegen het tarief vermeld in artikel 215, eerste lid, wat betreft de in artikel 234, 3° en 5°, vermelde bijdragen, pensioenen, renten, toelagen en vergoedingen;) <W 1999-03-10/38, art. 57, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  3° tegen het tarief van (300 pct.) wat betreft de in artikel 234, 4°, vermelde niet verantwoorde kosten. <W 1994-03-30/39, art. 19, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Art. 248. <W 1992-07-28/30, art. 32; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De belasting betreffende de in artikel 228, § 2, 8°, vermelde inkomsten, alsmede die betreffende de niet in de artikelen 232 tot 234 vermelde inkomsten, is gelijk aan de verschillende voorheffingen en aan de in artikel 301, vermelde bijzondere aanslag, die op die inkomsten betrekking hebben.
  Met betrekking tot belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 1°, is het eerste lid, in afwijking van artikel 232, eveneens van toepassing :
  1° op de winst of de baten behaald of verkregen door vennoten of leden van een burgerlijke vennootschap of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid als vermeld in artikel 229, § 3;
  2° op de inkomsten van onroerende goederen waarvan het totale bedrag per belastingplichtige lager is dan (2.500 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  TITEL VI. - Aan de vier belastingen gemene bepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Storting van de belasting door voorheffing.

  Afdeling I. - Algemene bepalingen.

  Art. 249. De belasting wordt geheven bij wijze van voorheffingen, volgens het onderscheid en op de wijze hierna aangegeven, in zover zij betrekking heeft op inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, op inkomsten van roerende goederen en kapitalen, op beroepsinkomsten of op diverse inkomsten.
  Deze voorheffingen worden onderscheidenlijk door de volgende uitdrukkingen aangeduid : onroerende voorheffing, roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing.

  Art. 250. De Koning bepaalt de wijze van storting van de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing.

  Afdeling II. - Onroerende voorheffing.

  Art. 251. De onroerende voorheffing is verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen, volgens de regels bepaald door de Koning.

  Art. 252. (Opgeheven) <W 2001-08-10/63, art. 47, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 253. (Federale tekst)
  <W 1994-07-06/33, art. 38, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld :
  1° van de in artikel 12, § 1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen;
  2° van de in (artikel 231, § 1, 1°), vermelde onroerende goederen; <W 1998-12-22/36, art. 39, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  3° van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt; de vrijstelling is van de drie voorwaarden samen afhankelijk.
  - Art. 253. (Vlaams Gewest)
  <W 1994-07-06/33, art. 38, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld :
  1° van de in artikel 12, § 1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen;
  2° van de in (artikel 231, § 1, 1°), vermelde onroerende goederen; <W 1998-12-22/36, art. 39, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  3° van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt; de vrijstelling is van de drie voorwaarden samen afhanke
  (4° van nieuwe onroerende goederen als bedoeld in artikel 471, § 3, die overeenkomstig artikel 472, § 2 na 1 januari 1998 aanleiding geven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking tot het kadastraal inkomen per 1 januari 1998); <DVR 1997-12-19/47, art. 11, 036; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (4° onroerende goederen die onder de toepassing van het bosdecreet van 13 juni 1990 vallen en die overeenkomstig artikel 16 van dat decreet als milieubeschermend bos werden erkend of die overeenkomstig artikel 22 van dat decreet als bosreservaat werden erkend of aangewezen of die overeenkomstig artikel 42 van dat decreet erkend werden voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal.) <DVR 1999-05-18/65, art. 82, 063; Inwerkingtreding : 02-08-1999>
  5° van nieuwe onroerende goederen als bedoeld in artikel 471, § 3, waarvoor voor de eerste maal, overeenkomstig artikel 472, § 2, een kadastraal inkomen vastgesteld wordt.
  De in het eerste lid, 4°, bedoelde vrijstelling wordt slechts verleend voor het gedeelte dat het per 1 januari 1998 vastgesteld kadastraal inkomen overschrijdt.
  Komen voor toepassing van het eerste lid, 4° en 5°, niet in aanmerking de nieuwe onroerende goederen die geplaatst worden in industriële, nijverheids-, of handelsgebouwen die overeenkomstig het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 in overtreding zijn inzake de bouwvergunning.) <DVR 1997-12-19/47, art. 11, 036; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  - Art. 253. (Waals Gewest)
  <W 1994-07-06/33, art. 38, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld :
  1° van de in artikel 12, § 1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen;
  2° van de in (artikel 231, § 1, 1°), vermelde onroerende goederen; <W 1998-12-22/36, art. 39, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  3° van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt; de vrijstelling is van de drie voorwaarden samen afhanke
  (6° van onroerende goederen gelegen in het Waalse Gewest en erkend als Natura 2000-gebied, natuur- of bosreservaat.) <DWG 2001-12-06/56, art. 16, 104; Inwerkingtreding : 22-01-2002>

  Art. 254. Het aanslagjaar van de onroerende voorheffing wordt genoemd naar het jaar waarvan de inkomsten als grondslag van die voorheffing dienen.

  Art. 255. De onroerende voorheffing bedraagt 1,25 pct. van het kadastraal inkomen, zoals dit is vastgesteld op 1 januari van het aanslagjaar.
  Zij bedraagt 0,8 pct. voor woningen toebehorend aan bouwmaatschappijen die door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting of door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas zijn erkend, voor eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en aan openbare centra voor maatschappelijk welzijn (...) of aan gemeenten toebehoren, zomede voor eigendommen die aan de Nationale Landmaatschappij of aan door haar erkende maatschappijen toebehoren en als sociale woningen worden verhuurd. <W 1994-07-06/33, art. 39, 004; Inwerkingtreding : 26-07-1994>
  <NOTA : Voor wat het Vlaamse Gewest betreft, wordt aan het artikel 255 een derde, een vierde en een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt : " Zij bedraagt voor materieel en outillage zoals bedoeld in artikel 471, § 3, 2,5 % vermenigvuldigd met een coëfficiënt zoals hierna bepaald.
  De coëfficiënt wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1996 te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat.
  Bij de berekening van de coëfficiënt worden de volgende afrondingen toegepast :
  1° het gemiddelde van de indexcijfers wordt afgerond tot het hogere of lagere honderste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet 5 bereikt;
  2° de coëfficiënt wordt afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet 5 bereikt;
  3° na toepassing van de coëfficiënt wordt het bekomen tariefbedrag afgerond tot het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet 5 bereikt. " (DVR 1997-12-19/47, art. 12, 036; Inwerkingtreding : 01-01-1998)>

  Art. 256. Voor de vestiging van de onroerende voorheffing wordt geen rekening gehouden met verminderingen en woningaftrek ingevolge de artikelen 15 en 16.
  Geen teruggave of vermindering van onroerende voorheffing wordt verleend wegens woningaftrek ingevolge artikel 16.

  Art. 257. Op aanvraag van de belanghebbende wordt verleend :
  1° een vermindering van een vierde van de onroerende voorheffing in verband met de door de belastingplichtige volledig betrokken woning, wanneer het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke in België gelegen onroerende goederen niet meer bedraagt dan (745 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Die vermindering wordt op 50 pct. gebracht voor een tijdperk van 5 jaar dat aanvangt met het eerste jaar waarvoor de onroerende voorheffing is verschuldigd, voor zover het een woning betreft die de belastingplichtige heeft doen bouwen of nieuwgebouwd heeft aangekocht, zonder het voordeel van een in de desbetreffende wetgeving bepaalde bouw- of aankooppremie;
  2° een vermindering van de onroerende voorheffing in verband met de woning die wordt betrokken door een groot-oorlogsverminkte die het voordeel geniet van de wet van 13 mei 1929 of van artikel 13 van de wetten op de vergoedingspensioenen, gecoördineerd op 5 oktober 1948, (of door een in de zin van artikel 135, eerste lid, 1°, gehandicapte persoon). <W 1994-07-06/33, art. 40, 1°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  Die vermindering bedraagt 20 pct. voor een groot-oorlogsverminkte en 10 pct. voor een gehandicapte persoon;
  3° een vermindering van onroerende voorheffing in verband met het onroerend goed dat wordt betrokken door het hoofd van een gezin met ten minste twee kinderen in leven (of met een in de zin van artikel 135, eerste lid, gehandicapte persoon). <W 1994-07-06/33, art. 40, 2°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  Die vermindering bedraagt 10 pct. voor ieder niet gehandicapt kind ten laste en 20 pct. voor iedere gehandicapte persoon ten laste, met inbegrip van de echtgenoot.
  Een kind dat gedurende de veldtochten 1914-1918 of 1940-1945 als militair, weerstander, politiek gevangene of burgerlijk oorlogsslachtoffer overleden of vermist is, wordt meegerekend alsof het in leven was;
  4° kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing voor zover het belastbare kadastraal inkomen ingevolge artikel 15 kan worden verminderd.
  (NOTA : Artikel 257 geldig voor de Vlaamse Gemeenschap :
  "Art. 257. <DVR 1998-06-09/32, art. 3, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. Aan de belanghebbende wordt verleend :
  (1° een vermindering van een vierde van de onroerende voorheffing voor de woning, waar de belastingplichtige volgens het bevolkingsregister zijn hoofdverblijfplaats heeft, wanneer het kadastraal inkomen van zijn in het Vlaamse Gewest gelegen gezamenlijke onroerende goederen niet meer bedraagt dan (745 euro);) <DVR 2000-06-30/39, art. 19, 070; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <DVR 2001-07-06/50, art. 34, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° een vermindering van de onroerende voorheffing berekend overeenkomstig onderstaande tabel voor de kinderen die in aanmerking komen voor een kinderbijslag, voor de woning die op 1 januari van het aanslagjaar wordt betrokken door een gezin met ten minste twee kinderen die daar hun woonplaats hebben blijkens een inschrijving in het bevolkingsregister en die in aanmerking komen voor kinderbijslag. Hierbij worden de als gehandicapte aangemerkte kinderen voor twee gerekend.

  Aantal in aanmerking                Totaal bedrag van de
  komende kinderen                    vermindering in [euro]
       
         2                                   [5,40]
         3                                   [8,55]
         4                                  [11,97]
         5                                  [15,69]
         6                                  [19,68]
         7                                  [23,97]
         8                                  [28,56]
         9                                  [33,42]
        10                                  [38,60]
  <DVR 2001-07-06/50, art. 35, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2002>


  (Voor het aanslagjaar 2000, wijziging van bedragen, zie MB 2000-05-08/31, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2000)
  (Voor het aanslagjaar 2001, wijziging van bedragen, zie MB 2001-02-19/33, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2001)
  Eenheden boven het tiende geven recht op een verhoging van de vermindering met (5,40 euro). <DVR 2001-07-06/50, art. 35, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (Voor het aanslagjaar 2000, wordt het bedrag van 218 frank gewijzigd in 226 frank, zie MB 2000-05-08/31, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2000)
  (Voor het aanslagjaar 2001, wordt het bedrag van 226 frank (5,60 euro) gewijzigd in 231 frank (5,75 euro), zie MB 2001-02-19/33, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2001)
  De in bovenstaande tabel opgenomen totale bedragen en het bedrag vernoemd in het vorig lid, worden jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk.
  De aanpassing gebeurt met behulp van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1996.
  Na toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond door weglating van de decimale frankgedeelten.
  Een kind dat gedurende de veldtochten 1914-1918 of 1940-1945 als militair, weerstander, politiek gevangene of burgerlijk oorlogsslachtoffer overleden of vermist is, wordt meegerekend alsof het in leven was en recht geeft op kinderbijslag;
  3° een vermindering van de onroerende voorheffing per gehandicapt persoon, andere dan bedoeld onder 2°, in verband met de woning waar ze hun woonplaats hebben op 1 januari van het aanslagjaar blijkens een inschrijving in het bevolkingsregister. Deze vermindering wordt berekend alsof het een gehandicapt kind betrof.
  § 2. Op aanvraag van de belanghebbende wordt :
  1° de vermindering van de onroerende voorheffing als bedoeld in § 1, 1° op 50 procent gebracht voor een tijdperk van 5 jaar dat aanvangt met het eerste jaar waarvoor de onroerende voorheffing is verschuldigd, voor zover het een woning betreft die de belastingplichtige heeft doen bouwen of nieuwgebouwd heeft aangekocht, zonder het voordeel van een in de desbetreffende wetgeving bepaalde bouw- of aankooppremie;
  2° een vermindering van 20 procent verleend in verband met de woning die wordt betrokken door een groot-oorlogsverminkte die het voordeel geniet van de wet van 13 mei 1929 of van artikel 13 van de wetten op de vergoedingspensioenen, gecoördineerd op 5 oktober 1948;
  3° kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend voor zover het belastbare kadastraal inkomen ingevolge artikel 15 kan worden verminderd, daarenboven kan geen kwijtschelding of proportionele vermindering worden verleend als het onroerend goed langer dan 12 maanden niet in gebruik is genomen, rekening houdende met het vorige aanslagjaar.
  (4° de vermindering van de onroerende voorheffing als bedoeld in § 1, 2°, verleend voor de kinderen van grensarbeiders, die ingevolge de regelgeving in het land waar deze grensarbeiders zijn tewerkgesteld van ieder stelsel van kinderbijslag zijn uitgesloten, voorzover deze kinderen volgens de Belgische regelgeving inzake kinderbijslag in aanmerking zouden komen voor kinderbijslag.) <DVR 1999-05-18/60, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (§ 2bis. Er kan geen kwijtschelding of proportionele vermindering worden verleend als het onroerend goed langer dan twaalf maanden niet in gebruik is genomen, rekening houdende met het vorige aanslagjaar. Deze bepaling is echter niet van toepassing op :
  1° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed, opgenomen in een onteigeningsplan;
  2° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed in renovatie of verbouwing met sociaal of cultureel doel, uitgevoerd door een sociale-huisvestingsmaatschappij of in opdracht van een overheid. De kwijtschelding of proportionele vermindering kan slechts worden verleend voor een maximale periode van vijf jaar;
  3° een onroerend goed waarvan door toedoen van een ramp, overmacht, een lopende gerechtelijke of administratieve procedure of onderzoek of een niet-afgehandelde procedure van erfenis de belastingplichtige zijn zakelijke rechten niet kan uitoefenen. De onroerende voorheffing is opnieuw verschuldigd vanaf 1 januari van het aanslagjaar volgend op het jaar waarin de omstandigheden die het vrij genot van het onroerend goed belemmerden, wegvallen.) <DVR 2001-07-13/39, art. 3, 089; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. Onder gehandicapt persoon in de zin van § 1 wordt bedoeld de in artikel 135, 1° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen als gehandicapt aangemerkte personen.
  Onder gehandicapt kind in de zin van § 1 wordt bedoeld, hetzij het kind dat voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 47, 56septies of 63 van het koninklijk besluit van 19 december 1939 tot samenvatting van de wet van 4 augustus 1930 betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders en de koninklijke besluiten krachtens een latere wetgevende delegatie genomen, hetzij het kind dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 26, § 1, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.
  (Onder grensarbeider in de zin van § 2, 4°, wordt bedoeld de persoon die in de grensstreek van een buurland werkzaam is en zijn woonplaats heeft op 1 januari van het aanslagjaar, blijkens een inschrijving in het bevolkingsregister, in de grensstreek van België, alwaar hij gewoonlijk dagelijks of tenminste eenmaal per week terugkeert.) <DVR 1999-05-18/60, art. 3, 062; Inwerkingtreding : 01-01-1999>)

  Art. 258. De verminderingen ingevolge artikel 257, 1° tot 3° worden beoordeeld naar de toestand op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar van de onroerende voorheffing wordt genoemd, en mogen worden samengevoegd.
  Deze verminderingen mogen slechts slaan op één enkel, eventueel door de betrokkene aan te wijzen onroerend goed; zij worden niet verleend voor het gedeelte van de woning dat voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid wordt gebruikt, wanneer het gedeelte van het inkomen dat erop betrekking heeft meer bedraagt dan een vierde van het kadastraal inkomen van de volledige woning.
  (NOTA 1 : Voor het Vlaams Gewest, in artikel 258, eerste lid worden de woorden "artikel 257,1° tot 3°" vervangen door de woorden "artikel 257, § 1, 1° tot en met 3° en § 2, 1° en 2°" <DVR 1998-06-09/32, art. 4, Inwerkingtreding : 01-01-1999> )
  (NOTA 2 : Voor het Vlaams Gewest, wordt het tweede lid van artikel 258 vervagen door wat volgt: "Deze verminderingen mogen slechts slaan op een enkel, eventueel door de betrokkene aan te wijzen onroerend goed." <DVR 1998-06-09/32, art. 5, Inwerkingtreding : 01-01-1999> )

  Art. 259. De verminderingen ingevolge artikel 257, 2° en 3° zijn van de huur aftrekbaar niettegenstaande elk hiermee strijdig beding; zij zijn niet van toepassing op het gedeelte van de woning of van het onroerend goed dat wordt bewoond door personen die niet tot het gezin van de betrokken groot-oorlogsverminkte, van de gehandicapte of van het betrokken gezinshoofd behoren.
  (NOTA : Voor het Vlaams Gewest wordt artikel 259 vervangen door de volgende bepalingen : "Artikel 259. De verminderingen ingevolge artikel 257, § 1, 2° en 3° en § 2, 2°, zijn van de huur aftrekbaar, niettegenstaande elk hiermee strijdig beding; zij zijn niet van toepassing op het gedeelte van de woning of van het onroerende goed dat wordt bewoond door personen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin of niet tot het gezin van de betrokken grootoorlogsverminkte of van de gehandicapte behoren." DVR 1998-06-09/32, art. 6, Inwerkingtreding : 01-01-1999> )

  Art. 260. Wanneer de in artikel 257, 1°, vermelde grens van (745 EUR) wordt overschreden, blijft de vermindering van één vierde ingevolge die bepaling niettemin behouden voor de belastingplichtige die ze genoten heeft voor het aanslagjaar 1979, zolang : <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° de belastingplichtige zijn woning volledig blijft betrekken;
  2° het overschrijden van de grens van (745 EUR) uitsluitend het gevolg is van de algemene perekwatie van de kadastrale inkomens van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1980; <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° het kadastraal inkomen van de gezamenlijke onroerende goederen van de belastingplichtige niet meer bedraagt dan (992 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (NOTA : Artikel 260 geldig voor de Vlaamse Gemeenschap :
  Art. 260. Wanneer de (in artikel 257, § 1, 1°), vermelde grens van (745 euro) wordt overschreden, blijft de vermindering van één vierde ingevolge die bepaling niettemin behouden voor de belastingplichtige die ze genoten heeft voor het aanslagjaar 1979, zolang : <DVR 1998-06-09/32, art. 7, Inwerkingtreding : 01-01-1999> <DVR 2001-07-06/50, art. 36, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° de belastingplichtige zijn woning volledig blijft betrekken;
  2° het overschrijden van de grens van (745 euro) uitsluitend het gevolg is van de algemene perekwatie van de kadastrale inkomens van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1980; <DVR 2001-07-06/50, art. 36, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° het kadastraal inkomen van de gezamenlijke onroerende goederen van de belastingplichtige niet meer bedraagt dan (992 euro). <DVR 2001-07-06/50, art. 36, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2002>)

  Afdeling III. - Roerende voorheffing.

  Onderafdeling I. - Schuldenaars van de voorheffing.

  Art. 261. De roerende voorheffing is verschuldigd en moet van de belastbare inkomsten worden ingehouden niettegenstaande elk hiermee strijdig beding :
  1° door rijksinwoners, binnenlandse vennootschappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen, en aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen die inkomsten van roerende goederen en kapitalen of loten van effecten van leningen verschuldigd zijn, zomede door aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen die in België een inrichting hebben, op de resultaten waarvan inkomsten als vermeld in de artikelen 17, § 1, 2° tot 4°, en loten van effecten van leningen worden aangerekend;
  2° (door de in België gevestigde tussenpersonen die op enige wijze zijn betrokken bij de uitbetaling van inkomsten van roerende goederen en kapitalen van buitenlandse oorsprong of loten van effecten van leningen van buitenlandse oorsprong, tenzij hun wordt bewezen dat een vorige tussenpersoon de voorheffing heeft ingehouden;) <W 1998-12-22/36, art. 40, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  (3° door beheersvennootschappen, die zijn erkend door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen om één of meerdere in artikel 119quater van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten vermelde fondsen voor belegging in schuldvorderingen te beheren, voor de door deze fondsen voor belegging in schuldvorderingen toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten.) <W 1995-04-04/39, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 02-06-1995>

  Art. 262. In afwijking van artikel 261 is de roerende voorheffing over de volgende inkomsten verschuldigd door de verkrijger daarvan :
  1° (inkomsten van kapitalen en roerende goederen en diverse inkomsten vermeld in artikel 90, 6°, verkregen door aan de rechtspersonenbelasting onderworpen belastingplichtigen in zoverre overeenkomstig de vigerende wettelijke en reglementaire bepalingen een roerende voorheffing verschuldigd is en in de gevallen waar die inkomsten :
  a) ofwel zijn toegekend of betaalbaar gesteld, als het gaat om inkomsten van Belgische oorsprong, ofwel zijn geïnd of verkregen in België, als het gaat om inkomsten van buitenlandse oorsprong, zonder enige inhouding of storting van roerende voorheffing;
  b) zonder bemiddeling van een in België gevestigde tussenpersoon in het buitenland zijn geïnd of verkregen, indien het inkomsten van buitenlandse oorsprong betreft;) <W 1997-04-16/35, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  2° (...) <W 1996-01-30/41, art. 10, 3°, 016; Inwerkingtreding : 31-12-1995>
  3° inkomsten van verhuring van roerende goederen die voortkomen uit de verhuring van stofferende huisraad in gemeubileerde woningen, kamers of appartementen, inkomsten uit onderverhuring, overdracht van een huurceel en concessie van een gebruiksrecht als vermeld in artikel 90, 5° en opbrengsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht, indien die inkomsten worden verkregen door rechtspersonen als vermeld in artikel 220 of door niet-inwoners;
  4° inkomsten van roerende goederen en kapitalen en loten van effecten van leningen, die onrechtmatig met vrijstelling van voorheffing zijn verkregen :
  a) op grond van een onjuiste verklaring;
  b) of op collectieve of individuele spaarrekeningen die niet voldoen aan de vereisten van artikel 21, 8°;
  5° (in artikel 19, § 1, 4°, bedoelde inkomsten, wanneer ze van buitenlandse oorsprong zijn, (...), evenals de inkomsten van vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong, verkregen door aan de rechtspersonenbelasting onderworpen belastingplichtigen, indien de rentegevende effecten vóór de vervaldag van de inkomsten worden vervreemd.) <W 1996-03-20/32, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 07-04-1995> <W 1998-12-22/36, art. 41, 043; Inwerkingtreding : 07-04-1995>

  Art. 263. De Koning kan bijzondere maatregelen nemen om de betaling te waarborgen van de roerende voorheffing op inkomsten van vreemde waarden, van schuldvorderingen op of van gelddeposito's in het buitenland (alsook op in artikel 267, vierde lid, vermelde inkomsten). <W 1995-04-04/39, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 02-06-1995>
  Hij regelt de uitvoering van artikel 262, 4°, b, en bepaalt de gegevens die de instellingen en ondernemingen, die gerechtigd zijn collectieve of individuele spaarrekeningen te openen, daartoe moeten verstrekken.

  Onderafdeling II. - Vrijstelling en verzaking van de voorheffing.

  Art. 264. De roerende voorheffing is niet verschuldigd op het gedeelte van dividenden :
  1° dat wordt verleend of toegekend :
  a) (aan de Staat, de Gemeenschappen, Gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten, gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zomede aan intercommunales beheerst door de wet van 22 december 1986 waarvan de aandelen uitsluitend eigendom zijn van de Staat, de Gemeenschappen, Gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten, gemeenten en openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <W 1994-07-06/33, art. 41, 1°, 005; Inwerkingtreding : 26-07-1994>
  b) door een intercommunale beheerst door de wet van 22 december 1986 aan een andere intercommunale beheerst door dezelfde wet;
  2° dat overeenstemt met de in de artikelen 186, 187 en 209 vermelde (dividenden); <W 1994-07-06/33, art. 41, 2°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  3° dat, in geval van opneming van gereserveerde winst, gelijk is :
  a) (aan de bedragen die van de gereserveerde winst zijn afgetrokken als definitief belaste reserves, aangelegd tijdens de aanslagjaren 1973 en vorige.) <W 1994-07-06/33, art. 41, 3°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  b) aan de winst die vroeger ten name van de vennoten is belast.
  Voor de toepassing van deze bepaling stelt de Koning de volgorde vast voor het aanrekenen van die opnemingen op de verschillende bestanddelen van de gereserveerde winst.

  Art. 265. <W 1995-04-04/39, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 02-06-1995> Evenmin is roerende voorheffing verschuldigd op inkomsten die zijn verleend of toegekend :
  1° aan de Staat uit hoofde van financiële beheersverrichtingen verwezenlijkt in het algemeen belang van de Schatkist of voortvloeiend uit de vorming van onmiddellijk beschikbare gelden om het hoofd te bieden aan de kastekorten, wegens de onmogelijkheid toegang te verkrijgen tot de geldmarkt door middel van dagelijkse uitgiften van schatkistcertificaten;
  (2° aan de vennootschappen bedoeld in artikel 261, 3°, met betrekking tot de activa die behoren tot de beleggingsfondsen waarvan zij het beheer verzorgen.) <W 1996-12-12/49, art. 25, 025; Inwerkingtreding : 24-02-1997>

  Art. 266. De Koning kan, onder de voorwaarden en binnen de grenzen die Hij bepaalt, geheel of ten dele afzien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van roerende goederen en kapitalen en van diverse inkomsten, indien het verkrijgers betreft van wie de identiteit kan worden vastgesteld, (of door collectieve beleggingsinstellingen naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van deelnemers, wanneer hun aandelen in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld) of effecten aan toonder waarvan de inkomsten begrepen zijn in één van de volgende categorieën : <W 1995-04-04/39, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 02-06-1995>
  1° inkomsten van voor 1 december 1962 uitgegeven effecten die wettelijk van mobiliënbelasting of van zakelijke belastingen zijn vrijgesteld of aan belastingen zijn onderworpen tegen een aanslagvoet van minder dan 15 pct.;
  2° inkomsten uit certificaten van Belgische instellingen voor collectieve belegging;
  3° uitgiftepremies met betrekking tot obligaties, kasbons of andere effecten van leningen uitgegeven vanaf 1 december 1962.
  In geen geval kan Hij afzien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van door effecten vertegenwoordigde leningen waarvan de interest wordt gekapitaliseerd of van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interest en die worden uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest.
  (Het tweede lid is niet van toepassing op effecten voortgekomen uit de splitsing van lineaire obligaties uitgegeven door de Belgische Staat.) <W 1994-07-06/33, art. 42, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1994>

  Onderafdeling III. - (Opeisbaarheid) van de voorheffing. <W 1999-03-15/31, art. 2, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>

  Art. 267. De toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten brengt (de opeisbaarheid) van de roerende voorheffing mede. <W 1999-03-15/31, art. 3, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  Als toekenning wordt inzonderheid beschouwd : de inschrijving van een inkomen op een ten bate van de verkrijger geopende rekening, zelfs als die rekening onbeschikbaar is, mits de onbeschikbaarheid het gevolg is van een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst met de verkrijger.
  Het uitreiken, ter vertegenwoordiging van inkomsten, van effecten die renderend kunnen zijn, wordt ten belope van de waarde van het effect met betaalbaarstelling gelijkgesteld. Die waarde mag niet lager zijn dan die welke zou bepaald zijn bij de laatste prijscourant door de Belgische regering gepubliceerd voor de datum van toekenning of betaalbaarstelling; zijn de effecten in bedoelde prijscourant niet genoteerd, dan wordt de roerende voorheffing berekend op de verkoopwaarde daarvan die de belastingplichtige onder toezicht van de administratie aangeeft.
  (De toekenning of de betaalbaarstelling van inkomsten door een in artikel 265, 2°, vermeld fonds voor belegging in schuldvorderingen, brengt eveneens (de opeisbaarheid) van de roerende voorheffing mede, voor zover die inkomsten voortkomen uit inkomsten als vermeld in artikel 17.) <W 1995-04-04/39, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 02-06-1995> <W 1999-03-15/31, art. 3, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  Inkomsten van gelddeposito's worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld op de laatste dag van het tijdperk waarop ze betrekking hebben.
  De renten van geldsommen gedeponeerd bij de Deposito- en Consignatiekas worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld op 31 december van ieder jaar.
  Inkomsten waarop de roerende voorheffing door de verkrijger is verschuldigd ingevolge artikel 262, worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld op de laatste dag van het belastbare tijdperk waarin zij door de verkrijger zijn verkregen.
  (Als toekenning wordt eveneens aangemerkt, de verwerving van inkomsten uit de vervreemding van aandelen van buitenlandse beleggingsvennootschappen onder de in artikel 19, § 1, 4°, gestelde voorwaarden.) <W 1996-03-20/32, art. 7, 018; Inwerkingtreding : 07-04-1995>

  Onderafdeling IV. - Berekening van de voorheffing.

  Art. 268. De roerende voorheffing die eventueel ten laste van de schuldenaar valt ter ontlasting van de verkrijger der inkomsten, wordt aan het bedrag van die inkomsten toegevoegd voor de berekening van de roerende voorheffing.

  Art. 269. <W 1994-03-30/39, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1994> (De aanslagvoet van de roerende voorheffing is vastgesteld :
  1° op 15 % voor inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn, alsmede voor diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, 5° tot 7°;
  2° op 25 % voor de dividenden;
  3° op de aanslagvoet van het dividend, voor de in artikel 18, eerste lid, 3°, vermelde vergoedingen voor ontbrekende coupon, dewelke dat dividend vervangt.) <W 1999-03-10/38, art. 58, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
  De aanslagvoet van 25 pct. wordt evenwel verlaagd tot :
  1° 20 pct. voor dividenden van aandelen die inbrengen in geld vertegenwoordigen die in 1982 of in 1983 zijn gedaan met het oog op verrichtingen als vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 15 van 9 maart 1982 tot aanmoediging van de inschrijving op of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigheid in Belgische vennootschappen en die zijn verleend of toegekend voor de vijf, de tien of de negen eerste boekjaren waarvoor die inkomsten van personenbelasting zijn vrijgesteld krachtens artikel 3, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 15;
  2° (15 pct.) voor dividenden van in 1° vermelde aandelen die genoteerd zijn op een beurs voor roerende waarden wanneer de vennootschap die de inkomsten uitkeert onherroepelijk heeft verzaakt aan de overdracht, op de aan de desbetreffende aandelen uitgekeerde inkomsten : <W 1995-12-20/31, art. 13, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  - van de belastingbesparing die uit de terzake voorziene vrijstelling van vennootschapsbelasting voortvloeit;
  - van het eventueel aanvullend inkomen dat voortvloeit uit de bedoelde vrijstelling die de vennootschappen, in de oprichting of kapitaalverhoging waaraan de desbetreffende vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks heeft deelgenomen, in voorkomend geval hebben verkregen;
  Voor zover de vennootschap die de inkomsten uitkeert niet onherroepelijk verzaakt aan het voordeel van deze verlaging, wordt de aanslagvoet van 25 pct. eveneens verlaagd tot (15 pct.) voor de volgende dividenden : <W 1995-12-20/31, art. 13, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  a) dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 door het openbaar aantrekken van spaargelden;
  b) dividenden van aandelen die, vanaf hun uitgifte, hetzij het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op naam bij de uitgever, hetzij in België in open bewaargeving zijn gegeven, waarvan de Koning de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt, bij een bank, een openbare kredietinstelling, een beursvennootschap of een spaarkas die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is onderworpen, wanneer die aandelen werden uitgegeven vanaf 1 januari 1994 ter vertegenwoordiging van maatschappelijk kapitaal en overeenstemmen met inbrengen in geld;
  c) dividenden uitgekeerd door beleggingsvennootschappen als bedoeld in de artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, (...). <W 1998-12-22/36, art. 42, 043; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  (d) dividenden van aandelen uitgekeerd door vennootschappen die op een beurs voor roerende waarden genoteerd zijn of waarvan een deel van het kapitaal is ingebracht door een PRIVAK en die de voorwaarden, vermeld in artikel 201, eerste lid, 1°, vervullen :
  - voor de periode tussen 1 juli 1997 en de datum waarop de eerste toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden na die datum plaats heeft, wanneer het gaat om vennootschappen die reeds op een beurs voor roerende waarden waren genoteerd vóór 1 juli 1997;
  - voor de periode tussen de datum van hun toelating op een beurs voor roerende waarden en de datum van de eerste toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden die na die datum plaats heeft, wanneer het gaat om andere vennootschappen.) <W 1998-02-10/33, art. 33, 038; Inwerkingtreding : onbepaald>
  (e) de dividenden toebedeeld door een coöperatieve participatievennootschap in het kader van een participatieplan, bedoeld in artikel 2, 7°, van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen, aan de toegetreden werknemers, bedoeld in artikel 2, 19°, van deze wet, in de mate dat de door de coöperatieve participatievennootschap ontvangen dividenden, bij gebrek aan vrijstelling, zouden genoten hebben van de aanslagvoet van 15 %.) <W 2001-05-22/33, art. 29, 083; Inwerkingtreding : onbepaald>
  De in het tweede lid, 2°, en in het derde lid, a en b, bedoelde aanslagvoet van (15 pct.) is slechts van toepassing voor zover de aandelen waarop de dividenden betrekking hebben geen enkel voorrecht toekennen ten opzichte van de andere door de vennootschap uitgegeven aandelen. <W 1995-12-20/31, art. 13, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  Voor de in het derde lid, a) en b), vermelde vennootschappen die na 31 december 1993 hun kapitaal verminderen, worden de kapitaalverhogingen waartoe zij overgaan slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij meer bedragen dan die kapitaalverminderingen.
  Deze kapitaalverhogingen worden evenwel geheel in aanmerking genomen wanneer de kapitaalverminderingen beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
  Worden geacht aan de in het zesde lid vermelde voorwaarde te beantwoorden, de kapitaalverminderingen gebruikt om verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren of om onbeschikbare reserves aan te leggen.
  Ingeval van overdracht door de natuurlijke personen of rechtspersonen door of namens wie de oprichtingsakte is ondertekend, of, in geval van oprichting bij openbare inschrijving, die de ontwerp-oprichtingsakte hebben ondertekend, door de aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten van de vennootschap die de overdracht verkrijgt van, hetzij goederen die voor 1 januari 1994 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn aangewend, hetzij aandelen die deel hebben uitgemaakt van hun privaat vermogen, hetzij goederen die hebben toegehoord aan een vennootschap waarvan zij voor 1 januari 1994 aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten waren, wordt alleen het bedrag van die inbreng in geld, dat meer bedraagt dan de overdrachtprijs, in aanmerking genomen voor de toepassing van het derde lid, a) en b).
  Het achtste lid is van toepassing op de overdracht gedaan door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die in eigen naam, maar voor rekening van een in dat lid vermelde persoon, handelt.
  (In de mate dat de in het tweede lid, 2°, en in het derde lid, a en b, vermelde aandelen, worden omgeruild tegen aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 naar aanleiding van een fusie, een splitsing of het aannemen van een andere rechtsvorm tot stand gebracht in toepassing van hetzij de artikelen 211, § 1 of 214, § 1, hetzij van bepalingen van gelijke aard van een andere lidstaat van de Europese Unie, blijven de bepalingen van dit artikel inzake de omgeruilde aandelen, bij voortduur van toepassing op de in ruil ontvangen aandelen, alsof de verrichting niet had plaatsgevonden.) <W 2001-07-19/38, art. 24, 087; Inwerkingtreding : 28-07-2001>

  Afdeling IV. - Bedrijfsvoorheffing.

  Art. 270. De bedrijfsvoorheffing is verschuldigd door :
  1° (de in de artikelen 3, 179 of 220 vermelde belastingplichtigen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in België of in het buitenland bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen betalen of toekennen, evenals de in artikel 227 vermelde niet-inwoners voor wie de bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen die ze in België of in het buitenland betalen of toekennen, beroepskosten zijn in de zin van artikel 237;) <W 1998-12-22/36, art. 43, 043; ED : 01-02-1999>
  2° degenen die in België diensten bezigen van personen verbonden door een arbeidsovereenkomst, van wie de bezoldiging geheel of hoofdzakelijk bestaat uit door de cliënteel betaalde fooien of dienstpercenten;
  3° (degenen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in artikel 228, § 2, 8°, vermelde inkomsten van podiumkunstenaars of sportbeoefenaars betalen of toekennen of bij ontstentenis daarvan de organisator van de vertoningen of van de sportwedstrijden.) <W 1992-07-28/30, art. 33, 1°; Inwerkingtreding : 31-07-1992>
  (4° degene die door de leden van een in artikel 229, § 3, vermelde vennootschap of vereniging wordt aangesteld om hen in belastingzaken te vertegenwoordigen, of bij ontstentenis daarvan, elk van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten of leden.) <W 1992-07-28/30, art. 33, 2°; Inwerkingtreding : 31-07-1992>
  (5° degenen die krachtens artikel 35 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten verplicht zijn de akten of verklaringen ter registratie aan te bieden wanneer het akten of verklaringen betreft waarbij de overdracht onder bezwarende titel is vastgesteld van in België gelegen onroerende goederen of zakelijke rechten met betrekking tot die goederen door een in artikel 227, 1° of 2°, vermelde belastingplichtige.) <W 1992-12-28/32, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (6° diegenen die als curatoren in faillissementen, vereffenaars van gerechtelijke akkoorden, vereffenaars van vennootschappen of als personen die gelijkaardige functies uitoefenen, schuldvorderingen hebben te honoreren met de hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30.) <W 1993-07-22/30, art. 8; Inwerkingtreding : 01-07-1993>

  Art. 271. De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van artikel 270 uitbreiden tot winst, baten of bezoldigingen van (bedrijfsleiders), alsmede tot in (artikel 90, 1° tot 4°) vermelde diverse inkomsten. <KB 1996-12-20/40, art. 48, 024; ED : 01-01-1998> <W 1994-07-06/33, art. 43, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1992>

  Art. 272. Behoudens strijdig beding :
  1° hebben (de in artikel 270, 1°, 3° en 6° vermelde belastingschuldigen) het recht op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden; <W 1993-07-22/30, art. 9; Inwerkingtreding : 01-07-1993>
  2° hebben de in artikel 270, 2° vermelde belastingschuldigen het recht zich het bedrag van de voorheffing, verschuldigd wegens fooien of dienstpercenten, bij voorbaat te doen overhandigen.
  (Ondanks elk strijdig beding moeten de in artikel 270, 5°, vermelde belastingschuldigen de desbetreffende voorheffing inhouden op de meerwaarden die begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a en 4° vermelde winst of baten.) <W 1992-12-28/32, art. 15; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 273. <W 1992-12-28/32, art. 16; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De bedrijfsvoorheffing (is opeisbaar) uit hoofde van : <W 1999-03-15/31, art. 4, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  1° het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen;
  2° de verwezenlijking van in artikel 272, tweede lid, vermelde meerwaarden.

  Art. 274. (Opgeheven) <W 1992-12-28/32, art. 92; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 275. § 1. De bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens de aanduidingen van de schalen opgesteld door de Koning.
  § 2. De Koning kan verschillende categorieën van belastingplichtigen onderscheiden. Voor elke categorie zijn de schalen forfaitair.
  § 3. De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit artikel genomen besluiten.

  HOOFDSTUK II. - Verrekening van de voorheffingen.

  Afdeling I. - Algemene bepalingen.

  Art. 276. De in artikel 1 vermelde belastingen worden naar de mate als hierna is bepaald gekweten door verrekening van de onroerende, de roerende en de bedrijfsvoorheffing (, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en het belastingkrediet). <W 1995-12-20/31, art. 14, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Afdeling II. - Onroerende voorheffing.

  Art. 277. <W 1994-03-30/39, art. 21, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995> Als onroerende voorheffing wordt enkel verrekend het bedrag van de onroerende voorheffing, zoals bepaald in artikel 255 en verhoogd met de opcentiemen, met betrekking tot het kadastraal inkomen van de in artikel 16 vermelde woning en in zover dat kadastraal inkomen in het belastbare inkomen is begrepen en vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7 tot 13, 15 en 16.
  Het te verrekenen bedrag mag niet hoger zijn dan 12,5 pct. van het in het eerste lid vermelde kadastraal inkomen dat aan de onroerende voorheffing is onderworpen.

  Art. 278. (Opgeheven) <W 1993-07-22/30, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-1994>

  Afdeling III. - Roerende voorheffing.

  Art. 279. Als roerende voorheffing wordt verrekend het bedrag van de roerende voorheffing vastgesteld overeenkomstig artikel 269.

  Art. 280. Ten name van de verkrijger van inkomsten van roerende goederen en kapitalen, niet zijnde (dividenden en niet zijnde) inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, wordt de roerende voorheffing slechts verrekend tot het bedrag van de voorheffing op de inkomsten die belastbaar zijn in verhouding tot het tijdperk waarin de belastingplichtige eigenaar of vruchtgebruiker van de roerende goederen en kapitalen of schuldeiser is geweest. <W 1994-07-06/33, art. 44, 1°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  (Wanneer de verkrijger van inkomsten van roerende goederen en kapitalen die goederen of kapitalen gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid, wordt de roerende voorheffing slechts verrekend tot het bedrag van de voorheffing op de inkomsten die belastbaar zijn in verhouding tot het tijdperk waarin de belastingplichtige de volle eigendom van de goederen of kapitalen heeft gehad.) <W 1994-07-06/33, art. 44, 2°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1992>

  Art. 281. De roerende voorheffing betreffende dividenden waarvan de verkrijger de effecten gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid, wordt slechts verrekend op voorwaarde dat de belastingplichtige de volle eigendom van de effecten had op het ogenblik waarop de dividenden zijn toegekend of betaalbaar gesteld.
  (Voor de toepassing van het eerste lid wordt een lening van aandelen als vermeld in artikel 18, eerste lid, 3°, niet als een vervreemding aangemerkt.) <W 1999-03-10/38, art. 59, 049; Inwerkingtreding : 14-04-1999>

  Art. 282. Uit hoofde van dividenden wordt geen roerende voorheffing verrekend in zover de toekenning of betaalbaarstelling daarvan een waardevermindering of een minderwaarde tot gevolg heeft van de aandelen waarop de dividenden betrekking hebben.

  Art. 283. (Opgeheven) <W 1996-01-30/41, art. 10, 4°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-1996>

  Art. 284. De Koning kan de verrekening van een fictieve voorheffing voorschrijven binnen de grenzen en onder de voorwaarden die Hij bepaalt met betrekking tot :
  1° inkomsten van roerende goederen en kapitalen en diverse inkomsten als vermeld in (artikel 90, 5° tot 7°) waarvoor Hij ingevolge artikel 266 geheel of ten dele afziet van de inning van de roerende voorheffing; <W 1994-07-06/33, art. 45, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  2° roerende inkomsten van effecten die voor de inwerkingtreding van de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen zijn uitgegeven.

  Afdeling IV. - Forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting.

  Art. 285. <W 1994-07-06/33, art. 46, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Met betrekking tot inkomsten van roerende goederen en kapitalen en met betrekking tot diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, 5° tot 7°, wordt met de belasting een forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting verrekend voor zover die inkomsten in het buitenland werden onderworpen aan een gelijkaardige belasting als de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners, en voor zover de desbetreffende goederen en kapitalen voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt.
  In afwijking van het eerste lid wordt met betrekking tot dividenden enkel een forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting verrekend wanneer het gaat om dividenden die zijn toegekend of toegewezen door beleggingsvennootschappen en in zover vaststaat dat deze dividenden voortkomen uit inkomsten die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid en in artikel 289.

  Art. 286. Het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting bedraagt vijftien vijfentachtigsten van het netto-inkomen voor aftrek van de roerende voorheffing.

  Art. 287. <W 1993-07-22/30, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-1994> Met betrekking tot inkomsten van roerende goederen en kapitalen niet zijnde dividenden en niet zijnde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, wordt het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting bepaald volgens het produkt :
  a) van een breuk waarvan de teller gelijk is aan de werkelijk ingehouden buitenlandse belasting uitgedrukt in een percentage van het inkomen waarop die belasting betrekking heeft, beperkt tot 15, en waarvan de noemer gelijk is aan 100 verminderd met het cijfer van de teller;
  b) en van een breuk waarvan de teller gelijk is aan het positieve verschil tussen het totale bedrag van de noemer en het totale bedrag van de inkomsten van roerende goederen en kapitalen, met uitsluiting van dividenden, die de vennootschap in het belastbare tijdperk heeft gedragen, en waarvan de noemer gelijk is aan de som van het totale bedrag van de inkomsten van onroerende goederen, roerende goederen en kapitalen en van het totale brutobedrag van de beroepsinkomsten met uitsluiting van al dan niet verwezenlijkte meerwaarden.
  Wanneer de schuldenaar van het inkomen de buitenlandse belasting heeft gedragen tot ontlasting van de verkrijger, bedraagt de in het eerste lid, a, vermelde noemer 100.
  Voor de toepassing van het eerste lid, b, omvatten de inkomsten van roerende goederen en kapitalen eveneens de in artikel 21 bedoelde inkomsten.

  Art. 288. <W 1994-07-06/33, art. 47, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Ten name van de verkrijger van inkomsten van roerende goederen en kapitalen niet zijnde dividenden en niet zijnde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, wordt het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting slechts verrekend tot het deel dat betrekking heeft op de inkomsten die belastbaar zijn in verhouding tot het tijdperk waarin de belastingplichtige de volle eigendom van de goederen of kapitalen heeft gehad.

  Art. 289. <W 1994-07-06/33, art. 48, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting wordt niet verrekend ter zake van inkomsten van schuldvorderingen en leningen die de schuldeiser in België gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid, wanneer de schuldeiser, niettegenstaande bij de verrichting in eigen naam heeft gedaan, in werkelijkheid is opgetreden voor rekening van derden die hem voor de financiering van de verrichting de nodige middelen hebben verschaft en geheel of gedeeltelijk de aan de verrichting verbonden risico's dragen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt een in het buitenland gevestigde onderneming die over een Belgische inrichting beschikt die als schuldeiser optreedt, mede als derde aangemerkt.

  Afdeling IVbis. - (Belastingkrediet.) <Ingevoegd bij W 1995-12-20/31, art. 15; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 289bis. <W 1999-05-04/54, art. 28, 056; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. Met betrekking tot de in artikel 23, § 1, 1° en 2°, vermelde winst en baten, wordt met de personenbelasting een belastingkrediet verrekend van 10 pct., met een maximum van (3.750 EUR), van het meerdere van : <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  - het op het einde van het belastbare tijdperk bestaande positieve verschil tussen de fiscale waarde van de in artikel 41 vermelde vaste activa en het totale bedrag van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die betrekking hebben op uitgeoefende beroepswerkzaamheden die winst of baten opbrengen;
  - ten opzichte van het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van dit verschil.
  Het verlenen van het belastingkrediet is onderworpen aan de voorwaarde dat de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen een attest voegt waarvan het model door de Minister die bevoegd is voor het Sociaal statuut van de zelfstandigen wordt vastgesteld en waarbij wordt bevestigd dat hij in orde is met de betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen als zelfstandige.
  In de gevallen vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° en 3°, wordt het belastingkrediet bepaald alsof er geen verandering van belastingplichtige is geweest.
  (Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd,) worden het percentage, het bedrag en de grens bepaald in het eerste lid per echtgenoot beoordeeld. <W 2001-08-10/63, art. 48, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 2. Met de overeenkomstig artikel 215, tweede lid, berekende vennootschapsbelasting wordt een belastingkrediet verrekend van 7,5 %, met een maximum van (19.850 EUR), van het positieve verschil tussen : <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; ED : 01-01-2002>
  - het in het geld gestorte kapitaal op het einde van het belastbare tijdperk;
  - en het hoogste bedrag van het op het einde van enig belastbaar tijdperk in geld gestorte kapitaal dat vroeger werd weerhouden om het verlenen van het belastingkrediet te bepalen, of bij het ontbreken daarvan het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag ervan.
  In geval van overdracht door de aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten van de vennootschap-cessionaris van hetzij goederen die voorheen werden aangewend voor hun beroepswerkzaamheid, hetzij aandelen die deel uitmaken van hun vermogen, hetzij goederen die hebben toebehoord aan een vennootschap waarvan zij aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten zijn of geweest zijn, wordt enkel het bedrag van het in geld gestorte kapitaal dat de overdrachtsprijs overschrijdt in aanmerking genomen voor de toepassing van het eerste lid.
  Hetgeen voorafgaat is eveneens van toepassing op de overdracht gedaan door een natuurlijke of rechtspersoon die in eigen naam maar voor rekening van een hiervoor vermelde persoon handelt.
  § 3. Om recht te kunnen hebben op het belastingkrediet, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen voor het aanslagjaar waarvoor hij de verrekening vraagt, een ingevulde, gedagtekende en ondertekende opgave voegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
  <NOTA : Voor de aanslagjaren 1997 tot 1999 wordt artikel 289bis van hetzelfde Wetboek, zoals het bestond alvorens te worden gewijzigd door artikel 28 van de W 1999-05-04/54, aangevuld met het volgende lid :
  " Wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd, worden het percentage, het bedrag en de grens bepaald in het eerste lid per echtgenoot beoordeeld. ". (W 1999-05-04/54, art. 46)>

  Art. 289ter. <Ingevoegd bij W 2001-08-10/63, art. 49; Inwerkingtreding : 01-01-2003> § 1. Wanneer het totale netto-inkomen van het belastbare tijdperk niet meer bedraagt dan 14 140 EUR, heeft de rijksinwoner recht op een belastingkrediet waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van het bedrag van de activiteitsinkomsten.
  Het bedrag van de activiteitsinkomsten is gelijk aan het nettobedrag van de beroepsinkomsten verminderd met :
  1° de in artikel 23, § 1, 5°, vermelde inkomsten;
  2° de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van inkomsten;
  3° de beroepsinkomsten die overeenkomstig artikel 171 afzonderlijk worden belast;
  4° de bezoldigingen voor arbeidsprestaties die korter zijn dan één derde van de wettelijk voorziene arbeidsduur;
  5° de winst of baten die voor de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen als inkomsten van een bijberoep worden beschouwd.
  Geen belastingkrediet wordt verleend aan de belastingplichtige die winst of baten heeft verkregen die zijn vastgesteld volgens forfaitaire grondslagen van aanslag.
  (Bij een gemeenschappelijke aanslag) worden het belastingkrediet, de inkomsten en de grenzen berekend per belastingplichtige vóór toepassing van de artikelen 86 tot 89. <W 2001-08-10/63, art. 49, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 2. Om recht te geven op een belastingkrediet moet het bedrag van de activiteitsinkomsten hoger zijn dan 3 260 EUR.
  Het bedrag van het belastingkrediet wordt als volgt bepaald :
  1° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 3 260 EUR bedraagt doch niet meer dan 4 350 EUR : (440 EUR) vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van de activiteitsinkomsten en 3 260 EUR en de noemer gelijk aan het verschil tussen 4 350 EUR en 3 260 EUR; <W 2001-08-10/63, art. 49, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  2° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 4 350 EUR bedraagt doch niet meer dan 10 880 EUR : (440 EUR); <W 2001-08-10/63, art. 49, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  3° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 10 880 EUR bedraagt doch niet meer dan 14 140 EUR : (440 EUR) vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen 14 140 EUR en het bedrag van de activiteitsinkomsten en de noemer gelijk aan het verschil tussen 14 140 EUR en 10 880 EUR. <W 2001-08-10/63, art. 49, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Wanneer de beroepsinkomsten slechts gedeeltelijk uit activiteitsinkomsten bestaan, wordt het belastingkrediet bepaald overeenkomstig het tweede lid verminderd in verhouding tot het gedeelte dat de activiteitsinkomsten vertegenwoordigen ten opzichte van het nettobedrag van de beroepsinkomsten.
  Wanneer het totale netto-inkomen meer bedraagt dan 10 880 EUR doch niet meer dan 14 140 EUR, kan het belastingkrediet niet meer bedragen dan de uitkomst van de vermenigvuldiging van (220 EUR) met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen 14 140 EUR en het bedrag van het totale netto-inkomen en de noemer gelijk aan het verschil tussen 14 140 EUR en 10 880 EUR.
  § 3. De bepalingen van artikel 178 zijn van toepassing op de in dit artikel vermelde bedragen.

  Afdeling V. - (Mate van verrekening van de onroerende voorheffing, de roerende voorheffing, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en belastingkrediet). <W 1995-12-20/31, art. 16; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  Art. 290. <W 2001-08-10/63, art. 50, 095; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Voor rijksinwoners :
  1° wordt de onroerende voorheffing, in het geval en binnen de perken bepaald in artikel 277, verrekend tot het bedrag van de personenbelasting;
  2° zijn het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting in het geval genoemd in artikel 285 en het belastingkrediet genoemd in artikel 289bis, § 1, slechts verrekenbaar tot het bedrag van het deel van de personenbelasting dat evenredig betrekking heeft op de beroepsinkomsten;
  3° wordt het belastingkrediet genoemd in artikel 289ter, volledig met de personenbelasting verrekend.

  Art. 291. De voorheffingen die wegens de beperkingen ingevolge artikel 290 niet kunnen worden verrekend, worden noch met de aanvullende belastingen vermeld in artikel 466 verrekend, noch aan de belastingplichtige (teruggegeven). <W 2001-08-10/63, art. 51, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  ((Wanneer het in artikel 289bis, § 1, bedoelde belastingkrediet niet kon worden verrekend) bij gebrek aan of ontoereikende personenbelasting verschuldigd voor een aanslagjaar, wordt het voor dat aanslagjaar niet verrekende belastingkrediet overgedragen op het overeenkomstig (artikel 290, 2°), bepaalde deel van de personenbelasting van de volgende drie aanslagjaren. <W 1999-05-04/54, art. 30, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <W 2001-08-10/63, art. 51, 2°, 095; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  In de gevallen vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° en 3°, wordt het belastingkrediet (, bedoeld in het tweede lid,) overgedragen alsof er geen verandering van belastingplichtige is geweest, zonder dat hieruit een verlenging van de oorspronkelijke termijn kan voortvloeien.) <W 1995-12-20/31, art. 18, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <W 2001-08-10/63, art. 51, 3°, 095; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Art. 292. Voor binnenlandse vennootschappen worden de als (...) fictieve roerende voorheffing en forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting verrekenbare sommen volledig met de vennootschapsbelasting verrekend en wordt het eventuele teveel niet terugbetaald. <W 1993-07-22/30, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  (Geen voorheffingen worden verrekend met de afzonderlijke aanslagen gevestigd ingevolge de artikelen 219 en 219bis). <W 1999-05-04/54, art. 31, 056; Inwerkingtreding : 01-01-1999>

  Art. 292bis. <Ingevoegd bij W 1995-12-20/31, art. 19; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Het (...) belastingkrediet wordt volledig met de vennootschapsbelasting verrekend en het eventuele teveel wordt niet terugbetaald. <W 1999-05-04/54, art. 32, 1°, 056; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  Wanneer voor een aanslagjaar geen vennootschapsbelasting verschuldigd is of wanneer de vennootschapsbelasting ontoereikend is, wordt het voor dat aanslagjaar niet verrekende belastingkrediet overgedragen op de overeenkomstig artikel 215, tweede lid, berekende vennootschapsbelasting met betrekking tot de volgende drie aanslagjaren.
  (In geval van verwerving of wijziging van de controle van een vennootschap in de loop van het belastbare tijdperk die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, wordt het nog niet verrekende belastingkrediet niet overgedragen op de vennootschapsbelasting met betrekking tot dat belastbare tijdperk, noch tot enig ander later belastbaar tijdperk.) <W 1999-05-04/54, art. 32, 2°, 056; ED : 01-01-2000>
  Wanneer een vennootschap de inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen heeft verkregen of een andere vennootschap door fusie of splitsing geheel of gedeeltelijk heeft overgenomen met toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 2° (...) of van artikel 211, § 1, wordt het belastingkrediet dat de overnemende of verkrijgende vennootschap voor die inbreng of die overneming niet heeft kunnen verrekenen, overgedragen in dezelfde verhouding dan die bepaald in artikel 206, § 2, eerste lid, zonder dat hieruit èen verlenging van de oorspronkelijke termijn kan voortvloeien. <W 1999-05-04/54, art. 32, 3°, 056; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  In geval van fusie met toepassing van artikel 211, § 1, wordt het belastingkrediet dat de overgenomen vennootschap vóór de fusie niet heeft kunnen verrekenen, overgedragen op de overnemende vennootschap, in dezelfde verhouding dan die bepaald in artikel 206, § 2, tweede lid, zonder dat hieruit een verlenging van de oorspronkelijke termijn kan voortvloeien.
  In geval van splitsing met toepassing van artikel 211, § 1, is (het vorige lid) van toepassing op het gedeelte van het belastingkrediet dat is bepaald naar verhouding van de fiscale nettowaarde van de overgenomen bestanddelen in de totale fiscale nettowaarde van de overgenomen vennootschap. <W 2001-07-16/31, art. 15, 086; Inwerkingtreding : 06-02-2001>

  Art. 293. Geen voorheffingen worden verrekend met de aanslagen in de rechtspersonenbelasting gevestigd ingevolge artikel 225, tweede lid.

  Art. 294. De bepalingen van de artikelen 290 tot 292 zijn, volgens het (in de artikelen 243 tot 245 en 246, eerste lid, 1° en tweede lid,) bepaalde onderscheid, eveneens van toepassing op niet-inwoners als vermeld in artikel 227. <W 1998-12-22/36, art. 44, 1°, 043; Inwerkingtreding : 02-01-1995>
  Voor niet-inwoners als vermeld in de artikelen 232 en 233 die in België andere inkomsten verkrijgen dan inkomsten uit onroerende goederen of beroepsinkomsten, wordt met de volgens (de artikelen 243 tot 245 en 246, eerste lid, 1° en tweede lid,) berekende belasting geen verrekening verricht uit hoofde van voorheffingen op die andere inkomsten. <W 1998-12-22/36, art. 44, 2°, 043; Inwerkingtreding : 02-01-1995>
  Geen voorheffingen worden verrekend met de bijzondere afzonderlijke aanslag op niet verantwoorde kosten, gevestigd ingevolge (artikel 246, eerste lid, 2°). <W 1998-12-22/36, art. 44, 3°, 043; Inwerkingtreding : 02-01-1995>
  Voor niet-inwoners als vermeld in artikel 234, die in België andere inkomsten verkrijgen dan die vermeld in voornoemd artikel, wordt met de volgens artikel 247 berekende belasting geen verrekening verricht uit hoofde van voorheffingen op die andere inkomsten.

  Art. 295. De Koning regelt de uitvoering van de artikelen 276 tot 294.

  Afdeling VI. - Bedrijfsvoorheffing.

  Art. 296. Met de belasting, eventueel verminderd met de onroerende voorheffing, de roerende voorheffing (, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en het belastingkrediet), wordt het bedrag van de geheven bedrijfsvoorheffing verrekend. <W 1995-12-20/31, art. 20, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1997>

  TITEL VII. - Vestiging en invordering van de belastingen.
  (NOTA : In titel VII van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, worden wat de onroerende voorheffing in het Vlaamse Gewest betreft, de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "directeur-generaal der belastingen", "directeur der belastingen", "directeur van de belastingen", "directeur der directe belastingen", "bevoegde directeur der belastingen", "directeur", "gewestelijke directeur der directe belastingen", "bevoegde gewestelijke directeur der directe belastingen", "gewestelijke directeur", "ambtenaar van een fiscaal bestuur" en "ontvanger der belastingen" worden vervangen door de woorden "ambtenaar daartoe door de Vlaamse regering gemachtigd";
  2° de woorden "ambtenaar van het ministerie van Financiën, met een hogere graad dan degene die de feiten geconstateerd heeft, doch op zijn minst met de graad van inspecteur" worden vervangen door de woorden "ambtenaar daartoe door de Vlaamse regering gemachtigd, met een hogere graad dan degene die de feiten geconstateerd heeft";
  3° de woorden "een ambtenaar van de administratie der directe belastingen, met een hogere graad dan controleur" worden vervangen door de woorden "elke ambtenaar daartoe door de Vlaamse regering gemachtigd";
  4° de woorden "ambtenaren van de administratie der directe belastingen", "ambtenaren van de belastingbesturen van het ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn" en "directeurs der belastingen" worden vervangen door de woorden "ambtenaren daartoe door de Vlaamse regering gemachtigd";
  5° de woorden "de door de gewestelijke directeur gemachtigde ambtenaar" worden vervangen door de woorden "de ambtenaar daartoe door de Vlaamse regering gemachtigd of de door hem gedelegeerde ambtenaar";
  6° de woorden "administratie der directe belastingen" en "het ministerie van Financiën" worden vervangen door de woorden "het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap";
  7° de woorden "de Openbare Schatkist", "de Schatkist" en "de Staat" worden vervangen door de woorden "het Vlaamse Gewest";
  8° de woorden "de minister van Financiën" worden vervangen door de woorden "de Vlaamse regering". <DVR 2000-06-30/39, art. 20; Inwerkingtreding : 01-01-1999>)

  HOOFDSTUK I. - Algemene Bepalingen.

  Art. 297. <Zie NOTA onder TITEL VII> (lid opgeheven) <W 1999-03-15/31, art. 5, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  (Voor de bij artikel 27, 5°, bedoelde personen is één enkel, bij koninklijk besluit te bepalen, controlecentrum met de ontvangst en het onderzoek van de aangifte belast.) <W 1995-04-07/94, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1996>

  Art. 298. <W 2001-12-05/35, art. 2, 103; Inwerkingtreding : 01-03-2002> § 1. Voor de belasting en voor de voorheffingen, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, ten behoeve van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, alsook voor de boeten, worden de kohieren opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de leidinggevende ambtenaar van de administratie bevoegd voor de vestiging van de belasting of door de door hem gedelegeerde ambtenaar.
  § 2. De dwangschriften worden uitgevaardigd door de ambtenaren belast met de invordering.
  Deze ambtenaren moeten een aangetekende herinneringsbrief sturen ten minste één maand voordat de gerechtsdeurwaarder een bevel tot betaling opstelt, behalve indien de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. De kosten voor het aangetekend verzenden zijn ten laste van de belastingschuldige.

  Art. 299. <Zie NOTA onder TITEL VII> De microfiches en microfilms van de kohieren hebben dezelfde bewijskracht als de originelen indien deze microfiches en -films door de administratie der directe belastingen of onder haar controle zijn aangemaakt.

  Art. 300. <Zie NOTA onder TITEL VII> § 1. De Koning regelt :
  1° de wijze waarop men dient te handelen voor de aangiften, de opmaking en de kennisgeving der kohieren, de betalingen, de kwijtschriften en de vervolgingen;
  2° het tarief van de vervolgingskosten.
  § 2. Wanneer een vordering voor het gerecht, zelfs gedeeltelijk, maatregelen tot onderwerp heeft welke ertoe strekken de invordering te verwezenlijken of te waarborgen van de belasting, daarin begrepen alle opcentiemen, verhogingen en boeten, alsmede van de desbetreffende interesten en kosten, hebben de cassatietermijn zomede de voorziening in cassatie schorsende kracht.

  Art. 301. <Zie NOTA onder TITEL VII> (Ten name van de in artikel 227, 1° en 3°, vermelde belastingplichtigen wordt de belasting van niet-inwoners met betrekking tot de in artikel 228, § 2, 9°, g en i, vermelde meerwaarden die geen betrekking hebben op in artikel 44, § 2, vermelde ongebouwde onroerende goederen, gevestigd en ingevorderd door de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, de registratie en domeinen tegen de tarieven en volgens het onderscheid bepaald in artikel 171, 1°, b, en 4°, d en e.) <KB 1996-12-20/40, art. 37, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  De Koning regelt de uitvoering van dit artikel.

  Art. 302. <Zie NOTA onder TITEL VII> Al de mededelingen betreffende de aangifte en de controle, alsmede de aanslagbiljetten betreffende de inkomstenbelastingen moeten in gesloten omslag aan de belastingschuldigen gezonden worden.

  Art. 303. <Zie NOTA onder TITEL VII> Bij het vaststellen van de belastbare inkomsten en behoudens het bepaalde in artikel 505, wordt slechts rekening gehouden met bedragen (in euro), ongeacht eventuele pariteitswijzigingen. <KB 2000-07-20/64, art. 4, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 304. <Zie NOTA onder TITEL VII> (NOTA : Artikel 304, § 2, werd gewijzigd door artikel 38, 1° van KB 1996-12-20/40. Dit artikel 38, 1° wordt ingetrokken bij W 1999-05-04/54, art. 45, §3, 058; Inwerkingtreding : 01-01-1997) § 1. (De onroerende voorheffing wordt opgenomen in kohieren. Aanslagen in de onroerende voorheffing die betrekking hebben op een kadastraal inkomen van minder dan (15 EUR) per artikel van de kadastrale legger worden niet in een kohier opgenomen.) <W 1999-03-15/31, art. 7, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; ED : 01-01-2002>
  (Bij ontstentenis van betaling binnen de in artikel 412 gestelde termijn worden de aanslagen in de roerende voorheffing en in de bedrijfsvoorheffing altijd ten kohiere gebracht, ongeacht het bedrag ervan.) <W 1999-03-15/31, art. 7, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  (Behoudens in de gevallen bepaald bij de artikelen 225, eerste lid, en 248, eerste lid, worden de aanslagen in de personenbelasting, in de vennootschapsbelasting, in de rechtspersonenbelasting en in de belasting van niet-inwoners altijd ten kohiere gebracht, onafgezien het bedrag ervan, maar dit bedrag wordt niet gevorderd of teruggegeven wanneer het na verrekening van de voorheffingen, voorafbetalingen en andere bestanddelen kleiner is dan (2,50 EUR).) <W 1999-03-15/31, art. 7, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Om te bepalen of de grens van (2,50 EUR) is bereikt, wordt rekening gehouden met de opcentiemen en de aanvullende belastingen als vermeld in de artikelen 245 en 466. <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. (Voor rijksinwoners wordt het eventuele overschot van de in de artikelen 157 tot 168 en 175 vermelde voorafbetalingen, van de in de artikelen 270 tot 272 vermelde bedrijfsvoorheffingen, van de in de artikelen 279 en 284 vermelde werkelijke of fictieve roerende voorheffingen en van de in de artikelen 134, § 3, en 289ter vermelde belastingkredieten in voorkomend geval verrekend met de aanvullende belastingen op de personenbelasting, en wordt het saldo teruggegeven indien het ten minste 2,50 EUR bedraagt.) <W 2001-08-10/63, art. 52, 095; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  Bij binnenlandse vennootschappen wordt het eventuele overschot van de in artikel 279 vermelde roerende voorheffing en van de in artikelen 157 tot 168 en 218 vermelde voorafbetalingen desvoorkomend verrekenend met (de afzonderlijke aanslagen gevestigd ingevolge de artikelen 219 en 219bis) en wordt het saldo teruggegeven indien het ten minste (2,50 EUR) bedraagt. <W 1999-05-04/54, art. 33, 052; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (Bij belastingplichtigen die aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen, worden de niet-verrekende voorafbetalingen teruggegeven indien zij ten minste (2,50 EUR) bedragen.) <W 1999-05-04/54, art. 33, 051; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (...) <KB 1996-12-20/40, art. 38, 1°, 024; Inwerkingtreding : 10-01-1997>
  (Bij belastingplichtigen die ingevolge artikel 232 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, is het eerste lid van deze paragraaf van toepassing op de belasting berekend volgens de artikelen 243 tot 245.
  Bij belastingplichtigen die ingevolge artikel 233 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, is het tweede lid van deze paragraaf van toepassing op de belasting berekend volgens artikel 246 en wordt het eventuele overschot van de in artikel 270 tot 272 vermelde bedrijfsvoorheffing met die belasting verrekend, het saldo wordt teruggegeven indien het ten minste (2,50 EUR) bedraagt.) <KB 1996-12-20/40, art. 38, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <KB 2000-07-20/64, art. 1, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 304bis. <Ingevoegd bij W 2001-05-22/33, art. 30; Inwerkingtreding : onbepaald> Voor zover hiervan niet wordt afgeweken, zijn de bepalingen van deze titel die van toepassing zijn op de roerende voorheffing van toepassing op de belasting en de aanvullende belasting op participaties in het kapitaal en in de winst bedoeld in Titel VII van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.

  HOOFDSTUK II. - Aangifte.

  Afdeling I. - Aangifte inzake personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting en belasting van niet-inwoners.

  Art. 305. <Zie NOTA onder TITEL VII> Belastingplichtigen die aan de personenbelasting, aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen, zomede belastingplichtigen die ingevolge de artikelen 232 tot 234, aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, zijn gehouden ieder jaar aan de administratie der directe belastingen een aangifte over te leggen in de vormen en binnen de termijnen omschreven in de artikelen 307 tot 311.
  Indien de belastingplichtige overleden of wettelijk onbekwaam is, rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden, in het tweede geval op de wettelijke vertegenwoordiger.
  Bij ontbonden vennootschappen rust de verplichting op de vereffenaars.
  Belastingplichtigen die niet kunnen lezen, noch ondertekenen, mogen hun aangifte laten invullen door de personeelsleden van de dienst waar zij moeten worden ingeleverd, mits zij de vereiste inlichtingen verstrekken. In dat geval wordt van deze omstandigheid melding gemaakt in de aangifte en wordt deze ondertekend door het personeelslid die ze in ontvangst neemt.
  De aangiften mogen ook worden overgelegd door een lasthebber, die alsdan van de algemene lastgeving krachtens welke hij optreedt moet doen blijken.

  Art. 306. <Zie NOTA onder TITEL VII> <W 1992-12-28/32, art. 17; Inwerkingtreding : 10-01-1993> (§ 1.) Volgens de regels en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepaalde categorieën van belastingplichtigen vrijstellen van de in artikel 305 vermelde aangifteplicht in de personenbelasting. <W 1994-07-05/30, art. 1, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  (Die belastingplichtigen zijn niettemin verplicht een aangifte te doen wanneer hen dat uitdrukkelijk gevraagd wordt door een daartoe gemachtigd ambtenaar van de administratie der directe belastingen.) <W 1994-07-05/30, art. 1, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  (§ 2. Aan de belanstingplichtigen die overeenkomstig § 1 van aangifteplicht zijn vrijgesteld wordt een voorstel van aanslag toegestuurd. Dit voorstel vermeldt de belastbare grondslag en de daarop verschuldigde belasting, zomede alle inlichtingen en gegevens die in aanmerking zijn genomen.
  In afwijking van het eerste lid en volgens de regels en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de gevallen bepalen waarin de administratie geen voorstel van aanslag moet toesturen.
  § 3. Indien de belastingplichtige niet akkoord gaat met het voorstel van aanslag, dient hij de administratie daarvan binnen de maand na de datum van de verzending van dat voorstel in kennis te stellen met vermelding van zijn motieven.
  Bovendien dient de belastingplichtige binnen dezelfde termijn iedere onjuistheid of onvolledigheid van het voorstel van aanslag aan de administratie mede te delen.
  § 4. Het voorstel van aanslag, aangevuld met de gegevens die de belastingplichtige binnen de in § 3 vermelde termijn heeft ter kennis gebracht, heeft dezelfde waarde als een in de voorgeschreven vormen en termijnen gedane aangifte.
  Indien de belastingplichtige evenwel de in § 3, tweede lid, vermelde verplichting niet heeft nageleefd wordt het voorstel van aanslag met een onvolledige of onjuiste aangifte gelijkgesteld.) <W 1994-07-05/30, art. 1, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1994>

  Art. 307. <Zie NOTA onder TITEL VII> § 1. De aangifte wordt gedaan op een formulier waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en dat wordt uitgereikt door de dienst die daartoe door de directeur-generaal van de directe belastingen werd aangewezen.
  (De jaarlijkse aangifte in de personenbelasting moet het bestaan vermelden van rekeningen van elke aard waarvan de belastingplichtige, zijn echtgenoot, alsmede de kinderen waarvan, overeenkomstig (artikel 126, § 4,) de inkomsten bij die van de ouders worden gevoegd, op enigerlei ogenblik tijdens het belastbaar tijdperk, titularis zijn geweest bij een in het buitenland gelegen bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling en het land of de landen waar die rekeningen geopend zijn geweest. Het formulier van aangifte in de personenbelasting bevat de daartoe voorziene rubrieken.) <KB 1996-12-20/40, art. 39, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <W 2001-08-10/63, art. 53, 094; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Het formulier wordt ingevuld overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend.
  § 3. De bescheiden, opgaven en inlichtingen waarvan de overlegging in het formulier wordt gevraagd, vormen een integrerend deel van de aangifte en moeten worden bijgevoegd.
  Afschriften moeten eensluidend met het oorspronkelijk stuk worden verklaard; andere bij de aangifte gevoegde stukken moeten worden gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend, behoudens indien zij uitgaan van derden.
  (De nomenclatuur en het model van de in het eerste lid bedoelde bescheiden, opgaven en inlichtingen worden vastgesteld in overleg met de meest representatieve organisaties uit de nijverheid, de landbouw, de handel en het ambachtswezen en de meest representatieve werknemersorganisaties.) <W 1993-07-22/30, art. 15; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  § 4. De aangifte moet worden teruggezonden of afgegeven aan de dienst die op het formulier is vermeld.
  (§ 5. De belastingplichtige kan onder de door de Koning bepaalde voorwaarden de in het aangifteformulier gevraagde gegevens eveneens verstrekken bij middel van computerafdrukken of van elektronische informatiedragers.) <W 1999-03-15/31, art. 8, 053; Inwerkingtreding : 06-04-1999>

  Art. 308. <Zie NOTA onder TITEL VII> § 1. De belastingplichtigen voor wie op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, de gronden van belastbaarheid, inzake personenbelasting of als niet-rijksinwoners inzake belasting van niet-inwoners overeenkomstig de artikelen 243 tot 245 aanwezig zijn, moeten hun aangifte aan de betrokken dienst doen toekomen binnen de op het formulier aangegeven termijn, die niet korter mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de verzending ervan.
  § 2. Indien de in § 1 gestelde termijn niet is verlopen op de datum van overlijden van de belastingplichtige die gehouden is aangifte te doen, bedraagt hij voor de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden vijf maanden vanaf die datum.
  § 3. (De in § 1 bedoelde belastingplichtigen die niet overeenkomstig artikel 306 van aangifteplicht zijn vrijgesteld en die geen aangifteformulier hebben ontvangen, moeten bij de aanslagdienst waaronder zij ressorteren uiterlijk op 1 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd een aangifteformulier aanvragen en, zo zulks nodig is, de termijn vermelden waarop zij in voorkomend geval ingevolge § 2 aanspraak kunnen maken.) <W 1994-07-05/30, art. 2, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
  § 4. (...) <W 1994-07-05/30, art. 2, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1994>

  Art. 309. <Zie NOTA onder TITEL VII> Belastingplichtigen waarvoor de gronden van belastbaarheid inzake personenbelasting of als niet-rijksinwoner inzake belasting van niet-inwoners overeenkomstig de artikelen 243 tot 245, voor 31 december zijn weggevallen, zijn eveneens gehouden aan de aanslagdienst waaronder zij ressorteren een aangifteformulier te vragen voor het gedeelte van het jaar waarvan die gronden aanwezig waren.
  Dezelfde verplichting rust op de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden van overleden belastingplichtigen.
  In het geval van het eerste lid moet de aangifte bij de daarop vermelde dienst toekomen binnen drie maanden na de dag waarop de gronden van belastbaarheid zijn weggevallen; in het geval van het tweede lid is de termijn vijf maanden, te rekenen van de dag van het overlijden.

  Art. 310. <Zie NOTA onder TITEL VII> Voor binnenlandse vennootschappen of aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen, zomede voor belastingplichtigen die ingevolge de artikelen 246 en 247 aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, mag de termijn binnen welke de aangifte bij de op het formulier vermelde dienst moet toekomen, niet korter zijn dan een maand vanaf de datum waarop hetzij de jaarrekening hetzij de rekening der ontvangsten en uitgaven zijn of is goedgekeurd,, noch langer zijn dan zes maanden vanaf de datum waarop het boekjaar is afgesloten.
  Voor de ontbonden vennootschappen mag die termijn niet korter zijn dan één maand vanaf de datum van de goedkeuring van de resultaten van de vereffening, noch langer zijn dan zes maanden vanaf de laatste dag van het tijdperk waarop de resultaten betrekking hebben.

  Art. 311. <Zie NOTA onder TITEL VII> De directeur-generaal van de directe belastingen of zijn gedelegeerde kunnen afwijkingen van (de in de artikelen 306 en 308 tot 310) gestelde termijnen toestaan. <W 1994-07-05/30, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1994>

  Afdeling II. - Aangifte inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing.

  Art. 312. <Zie NOTA onder TITEL VII> De Koning bepaalt de wijze waarop de schuldenaars van roerende voorheffing en van bedrijfsvoorheffing aangifte moeten doen.

  Afdeling III. - Vrijstelling van de verplichting om bepaalde inkomsten uit kapitalen en bepaalde diverse inkomsten aan te geven.

  Art. 313. <Zie NOTA onder TITEL VII> (De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen zijn er niet toe gehouden in hun jaarlijkse aangifte in de voormelde belasting de inkomsten van roerende goederen en kapitalen, noch de in artikel 90, 6 °, vermelde loten te vermelden waarvoor een roerende voorheffing is gekweten, noch die welke krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen van de roerende voorheffing zijn vrijgesteld, behalve indien het gaat om :
  1° inkomsten uit hypothecaire schuldvorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten, met uitsluiting van inkomsten uit hypothecaire obligaties;
  2° in artikel 17, § 1, 3°, vermelde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen;
  3° in artikel 17, § 1, 4°, vermelde inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten;
  4° in artikel 19, § 1, 2°, vermelde termijnen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik van gebouwde on